‘t Ouwe jaar

Onder de categorie ” verhalen uit de oudheid” moet dit verhaaltje maar worden opgeslagen. Dat waren zo maar de eerste gedachten die aan mijn brein ontsproten. Nu we bijna in het “oude jaar 2008″ kunnen schrijven, omdat we op de valreep zitten zeg maar, meen ik dat wel gepast.

Of het verhaal helemaal past in “oude verhalen” moet blijken als ik al schrijvende weg mijn weg door mijn gedachtenspinsel heb kunnen ontvouwen. Want hoe je het ook went of keert, vandaag zit ik met mijn gedachten toch wel heel heel erg in het verleden. En het heeft eigenlijk niet eens wat met mijn werk te maken. Behalve als ik zou werken in het “heitelân”. Ik zal het voor de leesbaarheid vandaag niety in het Fries doen, maar gewoon in plat Nederlands. Voor een ieder die het leest wordt het dan wel een beetje meer begrijpelijk. Kijk, mijn voorgeslacht. Da’s echt heel bijzonder. Allicht, als je bedenkt dat daar wel het een en ander zich heeft afgespeeld. Ze hebben zich voortgeplant en het wonder is er ook werkelijk gekomen: dat zit nu driftig achter een computerscherm te typen over de typetjes die zich als “mijn voorgeslacht” hebben laten betitelen. Vandaag begin ik dan ook niet in Harmelen, immers dat is heden het eindstation, neen, Frentsjer. In Frentsjer, en als ik dus goed ben geïformeerd moet dat tegenwoordig Franeker heten, is de c.q was de geboorteplaats van een onzer voorvaderen. Ds. Atzo Nicolai is daar omtrent het jaar onzes Heeren 1640 ter wereld gekomen. Genoemde ds. is dominee geweest in Nes en Wierum. Hij “stond” daar van 1664 tot 1670. Zes jaren werken op de koude akkers van het Friese landschap. En dan gaat onze dominee op tournee. Droegeham en Harkema. Tegenwoordig Harkema en Drogeham!. Jawel, bij de Hoeksma’s kunnen thans de koppies omhoog gestoken worden. Ten eerste een dominee als een der oervaders. En Drogeham wordt in dit rijtje genoemd. Op de grens van het Friese en het Groningerland heeft onze oervader om het zo te zeggen, en ik zal nog eens nagaan in welke “term” hij moet worden aangeduid, gewerkt van 1670 tot 1701. Op 7 augustus 1701 zat zijn aardse dienst erop. Ongetwijfeld heeft deze baas heel wat preken afgeleverd. Voor het heidensvoetvolk der Friezen en wellicht de Grunnigers. Ik ga er maar vanuit: gezaaid. En God geeft de wasdom (hoop ik dan maar).

Maar niet alleen geestelijk heeft onze predikant zijn zaaiwerk verricht. Op 4 maart 1662, dus redelijk jong zou ik zeggen, trouwt deze broeder met Gelske Tysses, afkomstig van Leeuwarden, maar helaas net in Drogeham aangekomen sterft zijn vrouw aldaar op 19 april 1671. (Hum, een van mijn broers is ook op 19 april, zij het een paar eeuwen later,geboren).     Tetje Gooitzens is dan de tweede vrouw die hij trouwt. Zij sterft uiteindelijk ook, n.l. 14 juni 1700 en is begraven in de Hamster kerk. Of het klopt weet ik niet maar mijn bron geeft aan dat aldaar nog een grafsteen zou wezen. Het eerste huwelijk is gezegend met “fjouwer bern”. Als ik dat vertaal met mijn geweldige kennis van de Friese taal kom ik uit op vier. Ik laat mij op dit punt graag corrigeren. Verder vooral niet doen (slecht voor mijn imago).

Goed. Begraven, en vlak voor zijn dood een testament (nota bene ook fjouwer dagen foar syn dea) laten wel zien dat onze Atzo niet op een houtje behoefde te bijten. Daar viel wel het nodige te verdelen en ik troost mij met de gedachte dat velen daar ook de vruchten van hebben mogen plukken. Hoe het toen met de successie rechten was gesteld weet ik eerlijk gezegd niet, want anders zal vadertje staat er ook niet bekaaid zijn afgekomen. Hoe dan ook, uit het eerste huwelijk met vier kinderen (en twee jong gestorven kinderen) was de familie incompleet. Het tweede huwelijk kan dan ook als vruchtbaar worden gekenschetst, want daar waren er negen, waarvan er ook twee jong gestorven zijn. Terzijde kan ik opmerken dat als de gezinnen zo groot zijn er over velen moet worden verdeeld.   De erfgenamen kunnen soms kennelijk hier en daar ook wel eens wat onaangenaam voor elkaar worden en als ik alles goed begrepen heb, speelde zich dat in dit geslacht toch ook hier en daar wel even af.  UIt het tweede huwelijk zetten we onze tocht vanuit het verleden even voort. Numero vijf van het tweede huwelijk, of te wel het 13e kind van onze dominee, zette zich schrap. Roel Atzes Nicolai is zijn naam. In Drogeham geboren. Op 24 juni 1691. Mijn bronnen geven aan dat deze Pieter een “begoedige boer” moet zijn geweest op stim 21. In het personele kohier met een bedrag van 260 gûne. Hij sterft op 18 januari 1765. Daarna komt de weduwe van hem, Haantzen Mekkes, op deze lijst in 1774 voor op 800 gûne.  Acht kinders uit dit huwelijk. NUmero 3 heet Atzo Roels Nicolai. Eerst meester timmerman, later boer te Burgum.Getrouwd met Tietje Symens Algra. Het derde kind uit dit huwelijk is Haantje Atzes Nicolai.

Deze Haantje kennen de broers als geen ander. Die hebben we al eerder in onze geschriften gezien. Deze Haantje trouwt n.l. met Jacob Pieters Hoeksma, boer en raadslid in Drogeham. Deze Jacob, zoon van Pieter Nannes, boer, koopman, diaken en getrouwd met onze Taetske Jacobs. Tja, dan beland je eigenlijk al heel snel, ik zit er nu toch, bij onze voorvaderen die we van naam zo al wel hier en daar hebben genoemd. Het eerste kind van die laatste twee is n.l. onze Pieter Jacobs Hoeksma. En wat lees ik?

Eerst te Eastermar, ook al zo’n fijn en mooi plekje onder de Friese zon, en daarna te Drogeham was deze heer: “drankstoker”. Het laatste kind van genoemde eerste twee is dan bij ons bekend. De broer van genoemde drankstoker is Gerben Jacobs Hoeksma geboren 16 augustus 1804, boer in Drogeham die dan getrouwd is met onze voormoeder om het zo te zeggen, Hylkje Simons Luimstra. Gerbenom is naar hem vernoemd. Zou Gerbenoom wel geweten hebben dat een broer van zijn vader een drankstoker was?  Hoe dat verder is afgelopen is wel bekend. Zelf ben ik al eens op het alchemistische pad geweest. En nog steeds kan ik mij “verkneukelen” rond een goed Fries aftreksel van diverse fijne planten. Geneeskrachtig, kruidig. Maar dat “het” ook al in de familie zat? Ik wist niet wat ik zag.

Enfin, het jaar is bijna ten einde. Ik ben bijna ten einde raad. Dat Friese drankje is niet in huis terwijl de schaatsen staan te klapperen van de kou. ‘t Wordt tijd dat ik de broer van mijnbetovergrootvader maar ga opvolgen. Ik brouw wel wat. En ik drink er eentje…

De jacht ontkomen

Hijgerig sta ik me daar op de Harmelense straat. Een gevecht op leven en dood gadeslaand.
Net thuis uit de kerk. Een fijn kerstconcert weggegeven. En van dat weggevertje kreeg ik ook nog wat. Zo vaak heb ik dat niet meegemaakt. Nadat de dienst was afgelopen hebben de kerstconcertgevers een gedaanteverwisseling ondergaan. Alle kerstgevers werden ineens ontvangers. Bij het uitgaan van de kerk, c.q. het verlaten van de zaal der kerkelijke gemeenschap, hebben wij als leden van het koor als dank een prachtig bloemetje ontvangen. Nou, dat kan ik alleen maar waarderen. Sterker, ik waardeer het heel sterk. Gewoon een sterke aktie van onze PK-broeders en zusters. Ook al zijn het allemaal: heidenen. Want zo ongeveer werden we verwelkomt.
Hoe dan ook, de cyclaam staat maar knap mooi op onze tafel. Dank daarvoor. Maar goed, wat heeft dat nu met de titel te maken?
Tja, ik overdacht de overdenking. Was aan de wandel geslagen met mijn hond. Wat heet, de hond nam mij zowat op sleeptouw. Bal mee en draven, schoppen en trappen maar. Dat beest is hondsvermoeiend. En na een uitputtingsslag in de gereformeerde kerke hier ter plaatse voelde ik mij als het bewuste hijgend hert der jacht ontkomen. Want het is letterlijk werken totdat je er bijna bij neervalt. Zo wat wegdommelend tegen de klok van over twaalven, met een dartele hond,en eigenlijk vreselijk verlangend naar een lekker goed glas nat spul…ineens…………..de hond pleite.
Ook dat nog.
Eenzame kerst?
Ik schrok mij bijna van mijn voetstuk toen er een geweldige plons naast mij in de sloot, mij uit mijn gepieker deed ontwaken.
Blenders, de jacht ontkomen! Wat een gratie. Wat een snelheid. Naast mij dook een haas, jawel een haas, de plomp in. En hij denderde zo snel de sloot weer uit alsof ie vliegen kon! Nu nog vraag ik mij af, en ik ga er echt voor zitten om mij dit nog eens af te vragen, of dat beest wel nadrukkelijk de nattigheid des waters gevoeld heeft. En zomaar uit het water “sprong” en een moordende rit voortzette richting de vrijheid. Even later kwam mijn jachthond aan mijn voeten. De kleine oogjes lichtten op. ‘t Leek wel of mijn beestje wilde zeggen: “Sorry, baas”, geen kerstdiner. ‘t Haasje was al gevlogen…”
Oh, ja, nu snap ik het. Ik zag ze vliegen. Letterlijk. De jacht ontkomen. Aan de moordenaarstanden van mijn lieve jachthond ontkomen. Eigenlijk een waardeloos beest. Zit ik nu te kluiven op een stokkie. Geen vlees in de pan. Inderdaad, zoals vroeger al gezegd in huize Hoeksma: ‘k had bijna een haas te pakke…