De grote stilte en wat mazzel.

“Hé, Harms, man, wat is het toch stil?” Wapse kijk verwondert naar zijn wat somber kijkende vriend.
“Man, lach toch eens, vertel een bak, kom op!” Heel voorzichtig schuifelde ook Schele Japie vanachter de toog. De dampende koffie deed verwoed pogingen om de smaakpupillen tot overwerk te verleiden.
Zwijgend dronk Harms. Dat had hij de laatste tijd wat vaker gehoord.
Een lichte twinkeling in zijn ogen verried dat diepe geborrel in zijn binnenste.
“Stilte, Wapse, is een vorm van voorbereiding. Is het je nooit opgevallen dat het stil werd vlak voor een storm? Ik kan je daar heel wat verhalen over vertellen. Noch herinner ik mij die grote stilte voor een zware storm op een camping in Zuid-Limburg. Maar ach, jij interesseert je niet voor dat soort zaken. Verhalen hoef ik niet te vertellen. Die zijn er. Maar soms moet je ze maar even laten voor wat ze zijn. Wapse, man, er is zoveel te vertellen. Ik zou ze kunnen opschrijven. Ik vermoei je je er alleen maar mee.”. “Doe mij maar een Berenburgertje, Japie, en geef Wapse er ook één. Is ie even rustig. “

Peinzend zaten de mannen een poosje bij elkaar.

Opnieuw doorbrak Wapse de stilte.

“ ‘k Ik zie je grijnzen, Harms”.
Natuurlijk, Wapse brandde weer eens van nieuwsgierigheid. Verleidelijk om daar op in te gaan. “ Hoe zat dat met die storm?”. “Weet je Wapse, soms zijn die zaken zo heftig, dat vertel ik voorlopig maar niet. Maar ik heb wel een mazzeltje gehad. “ Zwijgend pakte Harms zijn glaasje, nipte eens en liet de smaakpupillen doorgloeien van de kruidenbitter. “Man, wat een kerstkaarten. En ik maar zoeken. Nooit genoeg. Enfin, alles heb ik op een gegeven moment maar op de kop gekieperd. En jongen, je gelooft het of niet, ik had een lotje uit de loterij!!! “ Nu grijnsde de snuit van Harms van voor tot achter. De snor krulde van genoegen”. Wapse en Schele Japie keken nu met grote ogen naar Harms. Die leek wel kompleet van somberheid naar zonneschijn te zijn getransformeerd. “Schiet es op” zei Japie, “wat hep ie nu weer? Hier neem er eerst nog eentje van Sonnema jongen”.
“Jongens, ik vond nog een kadootje van mijn baas.
Man, we hebben jaren lopen zoeken. Er moesten nog ergens van die bonnen van de VVV zijn. Altijd waren we op zoek naar het grote goud. Niet als een zoeker met een detector, dat is meer iets voor Krijn. Maar snuffelen in oude paperassen.
De twee waarderingsbonnetjes zijn in deze tijden van harte welkom. Kom er nog maar eens om. Dat is allang verleden tijd geworden. En zo hebben wij tenminste nog een mazzeltje aan het begin van het jaar.
Japie, laten we er nog eentje op drinken.
Van het huis dan.