Henkie

Henkie.

Als een stilstaande drone hing zijn penpunt boven het papier.
‘ t Wil maar niet lukken. Toch… toch moet dat verhaal eruit.”
Maar ja, het begin hè? Het blijft een tuin aanharken op zee.
Misnoegd neemt hij kennis van zijn gestuntelde woorden. ‘t Zal wel weer niks worden, mompelde de man zachtjes voor zich. Hij schudde zijn hoofd.

Vanmorgen begon het al.
In pak gestoken wandelde hij naar het plaatselijke kerkgebouw. Wolken gierden over zijn hoofd. Grauwe en misnoegde druppels vielen op zijn hoed. De hoed werd neergelegd. De jas opgehangen, waarna hij plaats nam in het schip van de kerk.

Daar zat hij. Midden in het kerkgebouw.
Al het volk om hem heen.
Alleen met zijn gedachten.

Met een schuin oog had hij even op het liederenbord gekeken. En ja, daar stond het “zingen: Psalm 103 : 8.”

Jaren geleden moest hij dat hebben geleerd. Hij wist het nog precies. Het tweede liedje wat hij uit zijn hoofd moest kennen. Herinneringen waren als verdwijnende mistflarden naar boven komen dwarrelen.
De afgrond van zijn geheugen leek zich steeds meer te openen.

Opnieuw verdween hij in de cocon van gedachten. Ergens diep van binnen woelde de naargeestige sfeer van dat moment.
“Koninginnedag was volop in het dorp gevierd. Pa in de stoel. ‘Eindelijk, het is afgelopen. Allemaal goed gegaan vrouw.’ Zo, ongeveer, waren de woorden van zijn vader geweest. Vermoeid, opgelucht dat alle festiviteiten weer achter de rug waren. Altijd weer spannend zo’n Koninginnedag. Ja, als klein jochie had hij al het georganiseer wel meegekregen. De avond ervoor voor alle kinderen ranja maken. Alle kinderen kregen een sinaasappel en wat snoep. De hele studeerkamer lag dan vol. En ’s morgens in alle vroegte de grote vlaggenmast van zolder halen, uit het dak naar beneden laten gaan en dan die vlag vastknopen. Prachtige momenten. De drukte bij school , de fanfare, en zijn vader als schoolhoofd alles maar regelen en commanderen. Tot en met het “driewerf hoera”.

Even verdwenen de schemerige wolkenflarden voor zijn geest. O ja, toen…

Ineens was de telefoon gegaan.

Spierwit ziet hij zijn vader nog zitten. Ach heden, kleine Henkie. Kleine Henkie was ziek. Henkie, het jongetje dat naast hem in de schoolbank zat. Of meester maar kon komen.

De grijze wolk van gedachten zwierf langs het firmament van het kleine dorpsgodshuis.

De dominee begint.

“Vandaag zullen we het hebben over de kortste bijbeltekst. Twee woorden. Deze tekst staat gewoon helemaal apart genoemd in het areaal van ongeveer 30 000 teksten.”
Zo was de dominee begonnen.

De pen stokte. Was het nu de bedoeling om een verhaal te schrijven over een preek?

Opnieuw verzeilde de oude man stilletjes achter zijn paperassen. Wat moest je ermee? Kon hij er wat mee? Maar zijn gedachten, zijn verleden… neen, het hield niet op.

Spierwit was zijn vader geweest bij terugkomst. Neen, die Koninginnedag was om nooit te vergeten. Henkie was zwaar ziek… Besmettelijk ziek. De hele school werd door heel veel dokters ondersteboven gekeerd. Vergeten was hij het nooit. De spanning die de besmettelijke ziekte had gebracht. Alle leerlingen, die met een stokje in de keel werden getest. En hij, omdat hij naast Henkie zat, leek wel binnenstebuiten gekeerd.

Een huivering doortrok het lichaam van de oude man. Kippenvel. Alle haartjes stonden recht overeind.
Wat is dat toch, die dood? Altijd op je hielen?

Opnieuw werd zijn aandacht getrokken naar de woordverkondiger. De kortste tekst. Jezus weende.

Het verhaal van de dode Lazerus, zijn vriend.

‘Henkie… Henkie was ook zijn vriend.
Henkie ging ook dood. Maar die was niet weer uit de dood opgestaan.

‘Later op school ja, toen moest hij dat liedje leren. “Gelijk het gras is ons kortstondig leven.”’

Gek eigenlijk. Er waren geen protocollen vastgesteld om met de dood om te gaan. Met dood op de school. Toen hij zelf bij het onderwijs was betrokken, had hij het ook eens meegemaakt. Rouwverwerking was een rauwe werking. Maar als kind was hij het nooit vergeten. En misschien had hij het ook wel nooit helemaal verwerkt. En zo, ineens, bij dat lied, zag hij het allemaal weer boven komen. Henkie. Doctoren in groene jassen met mondkapjes voor.

‘Difterie meester.’

Een huivering doortrok hem opnieuw. Bij het schrijven van zijn verhaal moest de oude man even slikken. Wat een toestand was dat op die school geweest. Zijn vader had heel lang in de kamer gezeten zonder wat te zeggen. Zijn moeder had gehuild.

Ineens klaarde de zon door de hoge kerkramen. Jezus weende. Zo zal het geweest zijn.

Henkie was al heel lang geleden begraven. Een week, twee weekjes misschien had Henkie nog geleefd. Volop voorjaar. En toen, toen gingen ze met de rouwstoet van de kerk helemaal naar de begraafplaats. Lopend. Ja, toen nog wel. Allemaal zwijgende mannen. Hoge hoeden. Allemaal zwart. Henkie was dood. Met de lijkkoets. Getrokken door een zwart paard met een heel groot zwart kleed.
Hij had de kerkklokken gehoord.

Neen, de schoolklas was niet meegegaan. Dood. Dat is voor ouderen, niet voor kinderen. Al ging de dood de kinderen niet voorbij…
De klas had het liedje geleerd. Gelijk het gras is ons kortstondig leven. En nu zat hij hier. Gras. Ja, kortstondig is het leven op de eeuwigheid.

Midden in de kerk.

Henkie was allang dood en begraven. En ineens was daar die hele geschiedenis terug. Alsof het gisteren had plaatsgevonden.

De pen rustte. Hij overzag zijn geschreven werkelijkheid. Papier kon niet spreken.
De onmiskenbare pijn en verdriet lagen tussen de inktdruppels opgekruld.

Voor hem geen protocollen van doodgaan. Voor Henkie ook niet, dacht hij. Maar wel dat Jezus weende. En dat hadden zij vroeger ook gedaan.

De oude man rekte zich eens uit. Wonderlijk dat gedachten kunnen tollen van het verleden in het heden. En in het heden over het verleden. Wacht, hij greep een gedenkboek van het 100-jarig bestaan eens van de school. En na niet veel zoeken vond hij het. Inderdaad, Henkie, overleden op 15 mei 1959.

Ineens fleurde hij op. Wat is dat toch een rare zaak. Zomaar ineens dik vijftig jaar verder. En zo zie je dat kleine koppie met zijn blonde haartjes voor je… Mooi begraven. Mooi kerkhof ook. Tegenwoordig willen ze de vrije bosruimte hebben. Alsof het bijzonder is. Henkie is begraven in het bos. De oude man heeft het een paar jaar geleden zelf gezien. Een kerkhof vlak bij de zandverstuiving. Hij had nog gedacht, ‘mooi plekkie Henkie.’
Ineens is Henkie volop aanwezig.

Even wierp de man een blik op de dominee. Ja, het was waar, mensen konden hun verdriet niet altijd opkroppen. Jezus ook niet. Hij weende.
Hij zuchtte. Neen, antwoord op al je vragen krijg je niet in het leven. Dat besefte hij ook maar al te goed. Er zijn van die dingen, dat je kunt schreeuwen “waarom”. Nog ziet hij zich zitten achter het schot op zijn slaapkamertje. Boven de klaslokalen.
Had die juffrouw niet gezegd “als g’in nood gezeten, geen uitkomst ziet, wil dan nooit vergeten God verlaat U niet?”

“Amen.”
Het einde van de dienst was er voordat hij er erg in had.

Ineens brak de zon door. Het orgel speelde. De herinneringen werden weggevoerd op klanken van een variant op Valerius gedenkklank.

Opnieuw bleef de pen hangen boven het papier. “We staan er niet alleen voor” gromde het in zijn hersenen. “Maar ik kan dat verhaal maar mooi niet alleen in mijn uppie op papier krijgen.”

De zee van woorden kan niet meer worden aangeharkt. Twee woorden. Het zijn er eigenlijk wel genoeg voor vandaag.
Tranen kunnen worden geplengd. De zee wordt er vol van.

De man zuchtte opnieuw.
Henkie. Henkie kon nog niet schrijven. Henkie, net acht jaar op zijn sterfdag geworden, had net een weekje schrijfles gehad.
Die kon het niet. En ik, dacht de oude man, na vijftig jaren, ook niet.

Dit is water naar de zee dragen.
Dit is golven harken.

’t Is om te janken. Maar dat hoef je niet alleen te doen.

One Response

  • Howdy very cool site!! Man .. Excellent .. Wonderful .. I’ll bookmark your web site and take the feeds also¡KI am glad to search out numerous useful info here within the post, we want work out extra strategies on this regard, thanks for sharing. . . . . .

Leave a Reply