Pieter Hoeksma

De beslommeringen van een ligfietsende levensgenieter

Sjaak de Stiefelaar of….?

Inleiding:

Week van Tinnitus. Gedenk(w)aardig, maar niet aardig. Daarom dit verhaal.

Ciara:

Woeste winden doorkruisen het land. De storm Ciara doet zijn best om iedereen wakker te schudden. Ook Sjaak de Stiefelaar ontwaakte uit een lichte slaap. Kreunende boomtakken bij de buren deden voortreffelijk werk. 

Dia be tis:

En toen kwam Dia Bet Is meteen in volle glorie aan het firmament van zijn denken. 

Wie Dia Bet Is nu eigenlijk is? Een volstrekt niet besmettelijk virus, maar wel één met een grondige werking van ’s mensen gemoedsrust. De rust was nu verstoord, ze of hij fluisterde:  “Ga fietsen, Sjaak”, maar Sjaak schudde zijn hoofd. “Geen denken aan” mompelde hij. “ Dat wordt dan maar stiefelen, maar fietsen?  No way.” 

Vreemd eigenlijk, dat denken in een andermans taal. Maar ja, Dia Bet IS is misschien wel iets van Arabisch. En Ciara dan? “Je zult zo’n naam moeten hebben”, dacht hij. Zeker alweer helemaal “in” bij de vreemde vroege vogels van de media. Ze, hij, zal wel genderneutraal zijn, Mannelijk? Vrouwelijk? Lesbisch of homo? Sjaak wist het niet. Maar een ding staat vast, Dia Bet Is is een rotzak. 

Geroepen door dit wondere heerschap, bedacht hij, dat wandelen waarschijnlijk het beste was wat gedaan kon worden. Gewoon Dia Bet Is een dreun voor haar of zijn kop geven.

De schoenen werden geveterd. Ontdaan van de Polar, de App vertikte het zijn weergave te laten schijnen in deze sombere wereld, moest Strava dan maar doen,  wat Polar na liet. Verstikkend, al die apparatuur, dat wel.

Sjaak moest er eigenlijk wel een beetje om grinniken. Wat mocht het toch eigenlijk uitmaken? Het gaat er maar om dat je het niet om doet,  maar het er om doet.

Dia Bet Is werd mentaal aan de kant gekieperd, de schoenen geveterd,  de jas aangetrokken en hup de bossen in. 

Ach heden, laat Sjaak nu denken dat ie eindelijk alleen eens lekker in alle rust en heerlijk in de storm op pad kon gaan. Om de dooie dood niet. Nu, zo’n rare opmerking deed hem in zijn duffelse jas bijna de das om, maar ja, je weet het, als je eindelijk denkt lekker rustig te kunnen gaan stiefelen zonder het geruk van een hond, ja dan moet het toch goed gaan. De ruige stormen van zwaarmoedige draaierigheid van de afgelopen week had hij zo goed en zo kwaad als het ging wel achter zich gelaten. Niet te schielijk van de stoel, niet te snel met het hoofdje draaien, en dan was dat wel weer onder controle. Waar die draaierigheid nu weer vandaag kwam? Hij wist het niet. Kwam het nu van Dia Bet Is of van de medicijnen tegen Dia Bet Is?

Tinni (en) Tus:

Eindelijk. De eerste stappen werden gedaan. De stiefelsnelheid werd na een minuut of 10 al behoorlijk opgevoerd. Het ging, zelfs tegen Ciara in, niet eens zo slecht. 

Alleen, nou, dat had Sjaak mooi gedacht. Maar ineens waren ze er weer. De twee “vrienden”. En ja, die gingen meteen maar met onze Sjaak aan de haal. “Alleen?” “Kom man, dat had je gedacht. Wij gaan je maar weer eens behoorlijk…”

Sjaak schudde zijn hoofd. “Potdorie, moesten die pierepampers nu al weer op zijn pad komen?” Konden die klojo’s niet eens echt een heel eind op sode hannessen?”

In zichzelf gekeerd overviel hem een zware woeste storm van depressieve gevoelens. “Klootzakken” dat zijn het, dacht hij.

Bijna had hij het uitgeschreeuwd, klieren, hoepel (en dat is netjes gezegd,” hoepel eens een heel eind op en val nu in de goot”. 

Sjaak schreeuwde niet. Sjaak liep voort, diep, diep teleurgesteld. De storm buiten? Ja, die was best aangenaam. Maar Tinni (en) Tus, die smeerlappen, die verschrikkelijke pestkoppen, dat was geen aangenaam gezelschap. Het hoogste woord voerden ze. Nou ja Tinne dan. Tus bromde, of, als ie het echt op zijn heupen kreeg, wilde die wel eens heel zwaar brommen en janken als een bladblazer of fluitketel. Sjaak greep maar eens aan zijn oren. Was het nu zo gek? Was hij zo gek? Werd hij gek?

Nou, dat zat er wel aan te komen.

Sjaak moest een diepe zucht slaken. Kijk, dat stiefelen, dat kreeg hij de laatste maanden behoorlijk onder de knie. En geen eens knieklachten. Ook de achillespees deed, waarvoor die was aangeschaft. Ging prima. Vol vertrouwen trok hij de laatste maanden door ’s Heeren wandelpaden.

Stiekem begon bij hem al grootse plannen van het pad van zijn vader zich in zijn geest uit te tekenen. ’t Jemig, van Pieter naar Pieter, zoiets. Maar ja, dan zo mogelijk met metgezellen. Maar Niet met Tini en Tus. Die pieregochemobielen wilde hij kwijt zijn. 

Waar had hij die knuppels eigenlijk ontmoet?

Sjaak graaide in zijn grijze geheugenmassa. Werkte niet helemaal meer, zoals op zijn 20e, maar vooruit. Ergens in de jaren 80. Het moet Duitsland, toen nog West-Duitsland geweest zijn. Ineens waren ze daar. Hoog en laag zongen ze. In Duitsland kwam het wel vaker voor dat er goede muzikanten het levenslicht hadden gezien. Maar die twee, stelletje valsblazers waren het. En ze staken hun kop op op het moment dat je nooit zou vergeten. Een bankoverval..toe maar. En net als de misdaad, nooit meer uit te bannen. Ah, wat zou hij de gevangenis graag openzetten om ze te veroordelen tot levenslang. Was er maar, zo dacht hij, TBS mogelijk .Van mijn part, en hij bedacht de meest afgrijselijkste vormen van sadistisch genoegen tot het ombrengen van Tini en Tus….of jezelf. Soms was het bijna te erg.

Zin of Zen:

“Ho effe, eerst eens in Zen komen” zei Sjaak meer tegen zichzelf dan tegen die snotapen. Maar ja, wat is Zen als je zeker weet dat die twee hufters er bij zijn? Kan hij het zover van zich afzetten dat hij –al is het maar voor een moment- verlost is van die klierkoppen? Net zoals de pester hoopt en bid dat die pestkoppen “van het toneel zouden verdwijnen”.

Zen. Even werd de verleiding om te googelen en te kijken of je via een bepaalde route bij Zen kon komen Sjaak te machtig. Met bovenmatige inspanning bedacht hij dat Zen iets Oosters moest zijn. En hij liep ook naar het Oosten. Nou ja, Zuid-Oost, en oppassen voor vallende takken. 

Tjonge, wat ging Ciara nu al te keer. Het hoogtepunt van alle extase die zij, of hij (maar gelet op de takken vast een vrouw (takkenwijf)) zou brengen is na een voorspel van enkele uren. Sjaak keek eens aandachtig naar het horloge. Prima, dat voorspel kon dus nog enkele uren gaan duren en nu al zo heftig? Wat zou dit worden.

Hee, bedacht Sjaak, ‘t lijkt erop dat ik mij “Zen” ga voelen.

“Had je gedacht”, brulde Tini is zijn linker oor. “Forget it, man” brulde nu Tus in zijn rechter.

Sjaak verviel weer in zwijgend voort sjokkeren. De heuveltjes werden soms onderbroken door prachtig afwisselende dalletjes. Om daarna ineens in een breed bospad de weg naar de toekomst te ontvouwen.

Wonderlijk, zo mooi. Het lijkt bijna op het spelletje “Stap op”. Maar ja, dat was voor fietsers. 

Wel zijn de bospaden soms net als die plaatjes.

dav

En ook hier waren onderweg in ieder geval de “bomen weer open”. 

dav

 Was dat nu “Zen?” 

Volgens Wikepedia is:

“Zen of chán is een vorm van boeddhisme die sterk de nadruk legt op dhyana oftewel concentratie-meditatie. Hiermee zou inzicht verkregen worden in de eigen ware aard om zo de weg te openen naar een bevrijde manier van leven. Chán is een van de grotere Chinese scholen in het mahayana-boeddhisme. In Japan en het westen is de school bekend onder de naam zen (Japans 禅).”

Zen of niet, maar is het leven wel vol zin? Met zoveel herrie?

Sjaak schudde opnieuw zijn hoofd,. “Bevrijde manier van leven!!” Wat zou dat mooi zijn zeg!

Die twee rotzakken waren nog steeds op zijn pad. Maar zo heel af en toe leek het erop dat ze even van de begaande wegen waren afgegleden. Mooi niet natuurlijk, bedacht hij, ik kan wel proberen “Zen” te zijn of “in Zen te zijn” of in trance door mijn regelmatige stiefelarij, die twee “vrienden” weken niet van zijn pad. “Geen bevrijde manier van leven dus”. Verdorie, ’t lijkt wel een soort Coronavirus…Oosters, besmettelijk, levensbedreigend in ieder geval….

Onvoorstelbaar dat die twee zich op de meest ongure en gure tijdstippen van het leven en ook op de mooie momenten van de tijd, zich als ongewenste vreemdelingen opdrongen. Bijna, bedacht hij, als Jehova getuigen. Altijd weer een voet tussen de deur proberen te krijgen. “Hum”, Sjaak twijfelde, mocht hij die vergelijking wel zo maken? Moorkoppen werden uitgebannen, had hij gelezen, Spaanse pepers kregen het te verduren, Vlaamse Frieten en Zwarte Pieten…nee, het moest toch niet gekker worden. Op die lijst horen er maar twee te staan, bedacht hij, nou vooruit, drie: Tinni en Tus en Dia Bet Is.

Die zijn de ongewenste vreemdelingen. Overboord ermee, laat ze lekker verzuipen in de Middelandse Zee.

Omkomen in de storm van Ciara, dat zou mooi zijn!

dav

Onderweg zag hij het staan. Stukje over de bevrijding. Maar net zoals het fascisme en het antisemitisme, steekt de aanwezigheid van Tinnitus ook steeds opnieuw de kop op. Bevrijding? 

Pfft, Sjaak kreeg het door al dat geestelijk gestoei en gevecht op geestelijke grondslag  zwaar te verduren. Hij moest het toch maar meer met Zen zien op te lossen.

Sjaak stapte moedig, dat wel, voorwaarts. Ineens kwam daar ook nog een oude bekende om de hoek. Zomaar, ineens uit het niets. Nico en Tine. Beide permanent en doorlopend op de achtergrond gebleven, meenden dat er voor al dat gepieker eigenlijk maar een oplossing zou zijn. “Kom aan man, verzet je, neem een verzetje.”

“Kijk”, bromde Sjaak, “dat is nu geestelijke strijd”. Strijd tegen de vele hormonen, eh, nee demonen.  Komt van du “moment” (suprême)—vermoedelijk.

Sjaak zeeg neer. Een boomstam ondersteunde zijn warm geworden lijf. Een peuk,  om Tine en Nico even van plaats te laten wisselen. Nico, Tine en Sjaak waren één. Vermoedelijk Zen.

Sjaak vermande zich. Nog eenmaal trok hij zijn veters aan. Schopte geestelijk zijn Zen gevoelens in de war, trapte daarmee Tinni en Tus letterlijk voor de kl.., en stond op. Naar huis. “Gek word ik”.

Is dit nog wel zinvol? In 1 Koningen 19:11-13 wordt gesproken over “ De Heere is niet in de stormwind, niet in de aardbeving, maar wel na het vuur het suizen van de zachte stilte.”

Nou, het stormde. In dubbel opzicht.

Wel het suizen. Was Hij daarbij? Dat zou zinvol zijn.  “laat ik mijn zegeningen tellen, al vind ik het moeilijk,” want er staat ook:

“De stilte zing U toe” (Psalm 62) bedacht Sjaak. Wat is dat zinvol en wat zal dat mooi zijn. Doordrenkt van die hoop om eindelijk die stilte te mogen ervaren, stapt Sjaak door. Niet zenvol, maar zinvol.

De deur gaat open.

“Koffie, schat”. Dat werkelijk warme welkom deed voor even Tinni en Tus naar de achtergrond verdwijnen.

Dia Bet IS was voldaan door zoveel activiteit. Ruim 9 kilometer had Sjaak er weer op zitten en werd daarmee een beetje beteugeld. Nu nog op zoek naar de beteugeling van die vreselijke “vrienden”. Verzuipen moest je ze.

Nota bene vrienden “voor het leven”.

Klootzakken, en dat zijn ze.

Je zou het op een zuipen zetten, maar daarmee voed je ze ook.

En ik verdenk ze er van ook familie te zijn van Nico en Tine. Dat wel. Die kieper ik misschien toch maar eens echt de deur uit.

Zeg mij, wie Uw vrienden zijn en ik zeg u wie ik ben. Sjaak de Stiefelaar of Sjaak de Stuntelaar. Wie het weet, mag het zeggen.

Ciara is nog steeds volop in actie, net als Tinni en Tus, het blijft gewoon stormen. Dat dan weer wel.

Ps. Voor hulp bij hem omgaan met Tinni en Tus, verwijs ik u graag naar: de website van Stichting Hoormij   of bij het tinnitusloket via het landelijke gratis nummer 0800-84664887

Dood

Ontsteld

geveld.

Door mensenhanden

die mij ter aarde lieten vallen.

Daar waar ik eens fier

mijn standplaats vond.

Lig ik nu hier

en ben zo dood

als de spreekwoordelijke

dooie pier.

“Niet te schielijk”

Langzaam maar zeker doordrongen de tinten van vele ingrediënten zijn smaakpupillen. Wat een afdronk. Starend in het flakkerende vuurtje van de kachel doortrok de afdronk een geweldige sensatie door zijn lijf. Wat een verrukking. Maar ook sloeg bij hem de melancholische snaar aan het tokkelen. Wat was dat nou toch? 

Ineens verscheen dat krombenige mannetje, Lagers.  Hoepels maken, karren met mooie houten wielen. Klokslag half twaalf kwam hij daar aangelopen. Beetje krom met een snelheid van 3 km per uur. Vaste tred. Op naar café het Watertje, iets voorbij zijn eigen huis. De man keek niet op. De man keek niet om. Nee, vastberaden liep hij daar naar zijn uitspanning van de dag. Café “Het Watertje”. De ontsnapping uit het grauwe bestaan van wagenwaker. Of gewoon uit gewoonte? Even onder de mensen?

Hij schudde zijn hoofd. Dat kon hij hem niet meer vragen. Weggezet als een “notoire zuiperd”. Dat werd hij in de volksmond wel. Want in de mond van zuigelingen en dwazen werden ook wel eens minder goede zaken weg geroddeld.

Terwijl hij nipte aan zijn glas onversneden malt whisky, bedacht hij dat dat met dat “zuipen” wel mee zou vallen.

De caféhouder Van de Water was er niet eentje die zo maar zijn clientèle in het diepe moeras van zuipen ten onder zou laten gaan.  Die liet zijn mensen niet zuipen en al zeker niet “verzuipen”. Kom daar tegenwoordig nog maar eens om. Die moeten allemaal “omzet” draaien tot “ontzet” van velen. Sloten drank kunnen tegenwoordig, bedacht hij, zelfs bij de “voetbal” niet worden aangevoerd. Een kleine 500 liter bier op een middag? ’t Was weg voordat je het wist. En hij had het uit betrouwbare bron. Zuipen totdat ze er bijkans van neervielen, bij het darten in een kantine. Ja, dat had hij van zijn zwager goed begrepen. Geen wonder dat je dan de roos niet meer raakt, maar dat was aan het volk niet besteed. De barkeeper, ja die scoorde bovengemiddeld.

Lagers kwam binnen. In de hoek van het café stond een Poolsbiljart. “Doe mij maar het gewone recept, Van de Water, een olifantje op één poot”. Lagers nam zijn vaste plekje in.

Rustig en bedaard schonk de kastelein het gevraagde in. Een klein glas, met één poot, tot de rand gevuld. Zonder morsen werd het op de stamtafel neergezet. 

Tegen twaalf uur, als het twaalfuurtje net achter de kiezen en de pruim was weggewerkt, werd door Van de Water  gezegd: “niet te schielijk mannen, effe een kwartiertje rust”.

Ja, hij zuchtte eens. Waren er nog maar zulke caféhouders. Dan waren er vast ook niet zoveel problemen met de jeugd van tegenwoordig. Ach heden, hij kreeg het er bijna te kwaad van. Die whisky begon werkelijk ook al op zijn gemoed te werken. Het was ook een dubbele, verdikkie, dat had hij zich niet gerealiseerd. Te diep had hij niet in het glas gekeken, alleen maar van boven bij het inschenken. ’t Mocht wat. Na maanden van geheel onthouden, zomaar voor de kerst een beste fles aangeschaft. ’t Mocht wat kosten. Bij Galle en de maagklachtenfabrikant kreeg hij een beste korting. Zou hij nu al, na een paar slokjes, te diep in dat glas hebben gekeken?

Na het zogenoemde “stiefkwartiertje” zei de kastelein: “Het kan wel weer mannen”.  Ook Lagers keek op boven zijn lege glaasje: “ Ach, van de Water, doe er dan nog maar eentje. Op  één been kunnen we toch niet lopen”.  En zo werden de glaasjes gevuld, de mannen keuvelden over de prijs van een stuk hout, de koetjes en de kalfjes. 

Na dat kwartiertje mompelde Lagers: “Mensen, goeie dag verder. Ik ga maar weer eens”.

Zo schuifelde Lagers weer richting zijn werkplaats. Hij zag hem gaan. Vast ter been, niks zwabberigs aan.  Met de snelheid van het leven. 

Diep starend in de vlammen van zijn kachel,  bekroop hem het gevoel dat ook hij zich moest houden aan de wijze woorden van een beslist niet lastige cafébaas.

“Niet te schielijk, man”.

Ja, die houder van het glaswerk was een hele beste.

En die wijze woorden moest hij vandaag maar eens gaan toepassen.

Niet meer kijken in het glas als hij inschonk. Maar kijken hoeveel hij inschonk. Want voordat je het weet ben je bijna beschonken. Niet te schielijk. 

Niet met drinken, niet met schenken. De wereld gaat er vast op vooruit.

Dat wel.

De vlammen doofden.

../../../Library/Containers/com.apple.mail/Data/Library/Mail%20Downloads/FCA19542-973E-4C13-9E85-08B1487AA76B/IMG_20191224_095320.jpg
dav

De whisky gloeit na. 

Dankbaar sluit hij het hoofdstuk.

Met een echte Schot.

Het kleine groene boekje

Eindelijk is het zover. Zo ver weg zijn we niet meer om eens te gaan kamperen. En we gaan ook niet ver weg. Niet naar Verweggistan, gewoon lekker dicht bij huis in de mooie Veluwse bossen.

Bijna sta ik te trappelen van ongeduld. Maar geduld is een schone zaak en ik heb mijn slaapzak nog niet schoon. Die ligt nog te drogen op de stoelen in de zon. Dat wel. Maar straks gaat alles in mijn rugzak om op mijn rug te stouwen. Wat een ondraaglijke gedachte, nog even te moeten wachten. En uitgejouwd of gedag gezegd, stiefel ik mijn dromen na. ’t Zal wat wezen. Eindelijk je droom weer te kunnen volgen. De neus achterna, de straat door, het bos in, de paden op. Een kleine groene camping uit het “Groene Boekje” zal mij leiden.

dav

Eerst lijden door het gesjouw, maar dan komt het grote verwonderen. Genieten van de natuur. Elk uur, elk ogenblik even met volle teugen de zuivere boslucht naar binnen halen. Mij werd gewezen op een mooi terreintje van SBB in de Noord Veluwe. Wapenveld? Nee, dat is niet meer. Omgekomen door de keiharde wetten van commercie. En die commercie speelt ons danig parten. De kleine -zeg van ouds her- kampeerpaspoortterreinen, wie kent ze nog? Ze zijn omgetoverd tot wellustige camperplaatsen. Sleurhutten? Ja ook daar ontkom je niet meer aan. En nu bij mij de tand des tijds ook zijn verwoestende werking heeft uitgewerkt, ik ben inmiddels ook uitgewerkt, en er dus meer tijd is om mij lekker te kunnen verpozen aan het oneindige niet werkende bestaan, ben ik genoodzaakt tot het onderkomen en ondergaan van “een sleurhut” . Nou ja, bescheiden. Past denk ik wel bij mijn stijl van het leven.

Nu, deze knipoog naar mijn kampeerbestaan wens ik te doorbreken met een tentje op mijn rug. Alleen. Voor even. Even ouderwets gezellig stiefelen met mijn handel en wandel door ’s Heeren dreven. Geplaveid met een mogelijkheid ongeplaveide paden te betreden. Een mens kan nog mens zijn. Maar alzo niet meer op de SBB terreintjes. Omgeploegd als ze worden door steeds indrukwekkender vehikels die met name betiteld worden met het woord “camper”. Alleen blijkt, dat er nogal eens ruim gedacht wordt aan de vorm van bivakkeren. Immers, als de cola op is moet er toch echt met de camper een slokje drinken worden gehaald. Achterstallig onderhoud en achterlaten van de “camperplaats” is dan zo’n dingetje waardoor we goedkoop uitziende stoeltjes laten staan. Zie zo. Plekje bezet. Liefst voor zo min mogelijk, campings zijn duurzaam, dus al het water in de tank voor een nachtje lekker goedkoop aanvullen, de giertank van dagen,  zoveel mogelijk legen en op naar de volgende “Kampeerplek”. Een mens wil zich ontwikkelen.

Ik zie het met lede ogen aan. Verdriet vervult mijn kijkers zodanig dat mijn blik wellicht wat vertroebeld is, zoals ik nu kijk naar vervlogen dromen. Ik ga, denk ik, maar wild kamperen. Wellicht dat een wachter van het grote groene bos voor mijn verdriet wel oog heeft. En een oogje toeknijpt. Of mijn ongehoord gedrag door de vingers ziet. De bonnetjes? Daar wacht ik toch ook niet echt op. Bij het betreden van de kampeerplaats uit het groene boekje geldt: betalen of wegwezen. Dat zou ook moeten gelden voor het overtreden van de regeltjes voor het rijden over de camping voor een boodschap. Kom maar eens om zo’n boodschap. Het groene boekje? Waar is dat vleugje nostalgie? Geef mij maar weer de regeltjes van een kampeerpaspoortterrein. 

Eindelijk is het zover. Zo ver weg van wat geweest is. Of wentel ik mij in de nostalgie van de jaren 60?

Ik hang mijn rugzak om. Voort pelgrim. Voort.

Page 1 of 80

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén