Pieter Hoeksma

De beslommeringen van een ligfietsende levensgenieter

Sinterklaas

“Wat zit jij nu ineens te grinniken, Harms?” De vraag stierf als het ware weg in de zachte bries. Twee oude vrienden zaten bij elkaar. De fietstocht door de Friese Wouden werd onderbroken door een thermoskannetje koffie, een bankje, een zonnetje. Terwijl de adem door de wind werd opgenomen en een adembenemend uitzicht over de Petsloot langs het bevroren water in de omgeving van de Zandhorst beide vrienden de adem benam, bleef de vraag hangen. Wapse keek eens naar zijn vriend Harms. De oude baas had warempel de baard weer laten groeien zag hij. Gelijk had hij natuurlijk. De koude bracht behoeften bij oudere mensen tot verwarming maar ach heden, onze lieve Heer zorgde goed voor de mensheid. Gewoon een natuurlijke sjaal.

”Tja, Wapse, ik moest denken aan Sinterklaas”.
“Maar kerel daar geloof jij toch niet in? In Sinterklaas bedoel ik”.

Harms plooide zijn snorrebaard een beetje in de mijterkrul. “t Mocht wat, mijn jongen. Ik was net op de kleuterschool. En op de school bij de concurrent van mijn vader was een zekere meester Pit. Enfin, kennelijk aangestoken door het gevoel van concurrentie noemde ik de beste man stiekem (want een held was en ben ik niet hoor) “meneer Pruimepit”.
“Wat heeft dat nu met Sinterklaas te maken?” “Rustig vriend. Ik zal het je vertellen. Er werd op de kleuterschool, ach die kennen ze ook al niet meer tegenwoordig, maar goed, Sinterklaas gevierd. Met Pieten van een bepaalde kleur. Ik zal het verder niet benoemen, maar zo was het vroeger wel. En dit heerschap moest bij Sinterklaas komen. De zak en de roe werd door een zekere Piet gedragen. Vier jaar was ik, “Harms, kom jij maar eens bij Sinterklaas. Gelardeerd door zijn knecht moest ik eraan geloven. En geloof het of niet, het liep mij bijna dun door de broek. Sint had een allemachtig dik boek bij zich en deed het gewichtig open. Die knecht stond er bij een zwaaide met de roe. Je weet wel zo’n bonk van die takachtige bij elkaar gebonden stokjes. Sint bladerde in dat grote boek en keek mij ineens streng aan. “Wat lees ik daar jongeman Harms? Wat lees ik nu? Jij hebt een meester van de school aan de overkant van jullie huis genoemd met een “bijnaam Pruimepit?” Man man, mijn wangetjes gloeiden ik zette het bijna op een blèren. Dat snap je, Die Sint wist alles!” Harms zweeg. Wapse grijnsde. “Ha die had jou mooi te pakken, man. En toen?” Harms keek heel voorzichtig even om zich heen. Niet iedereen hoefde dit verhaal te horen.

“Weet je, die Piet die erbij was, die wilde mij voor straf meenemen in de zak, deed hem open, zwaaide met de roe, enfin, ik maakte dat ik weg kwam. Toen heb ik gezworen nooit meer met die zogenaamde heilige vent en alle andere heilige venten wat van doen te willen hebben”.
Harms zweeg. Ietwat verbaasd keek Wapse nu naar zijn vriend. ‘t Zou toch niet waar zijn? Zag hij bij Harms een traan die weggepinkt werd?

“Weet je Harms, man, ‘t leven geeft zelfs op jonge leeftijd altijd snel aanleg tot trauma’s. ‘ k zou smartengeld vragen!” Zo dat had hij maar eens mooi gezegd. Hij keek zijn vriend aandachtig aan. “Wapse, man, nu, jaren later kwam ik tot de ontdekking, jaren later hè, dat Sint niet bestond. En die zogenaamde Sinterklaas bleek meester Pit te zijn”.

“Allemachtig, wat een pedagogen daar zeg, Harms, ‘k zal het zo zeggen “Pittig”.
Kom, we gaan naar Japie en nemen een gewone borrel op dat gebeuren. En Harms, lig er niet langer van wakker hoor. Dat jij niet meer gelooft in heiligen kan ik nu volkomen begrijpen. Als ik jou was zou ik hier toch maar eens over spreken met een psycholoog of een of andere zieleknijper. Soms is de mensheid echt slecht.”


Dankbaar keek Harms naar zijn vriend. Wat een begrip.
“Weet je Wapse, altijd als ik een borrel bij Japie ga drinken, dan denk ik een beetje aan die zak, de gemiste reis naar Spanje, het dikke boek. ’t Kan me allemaal gestolen worden Wapse. Maar de rust en de ruimte, het uitzicht van de Friese Wouden? Dat geeft mij rust man.”


“Ik ben blij, Harms, dat er bij jou tenminste nog wat pit zit. Anders, ook al vertel ik het niet verder, had ik het nooit gehoord.”

Nunspeet, 18/12/2022

De ontmoeting met de jeugd van tegenwoordig.

“Nou nou, moet je die zien” sprak Japie  bijna verontwaardigd. “Die Harms. Zit me daar een beetje sippig voor zich uit te staren. Wapse, ik snap het niet, maar Harms is niet positief gestemd vandaag.”

“Ach, Japie, iedere piano heeft wel een beetje een vals toontje. Zal met Harms ook wel zo wezen. Snappen doe ik het ook niet, want ik zag hem gisteren nog in zijn tentje op het Nieuwe Doedelplaatsje van staatsbosbeheer.

 “Oh, is ie weer wezen kramperen? Tja, dat verklaard alles. Zal ik hem maar het recept van het huis aanbieden? “ Wapse keek eens naar zijn vriend Schele Japie. De kastelein, van alle markten thuis, was eigenlijk wel een beste vent. “Nou, Japie, ik denk dat een stevige borrel misschien beter aan Harms besteed is, maar jouw bruinenbonensap, ik weet het niet zeker, maar uit zijn geschriften, hij zou zo maar eens “ja” kunnen zeggen.” 

Japie schoof al richting het kleine tafeltje in de hoek. Harms was altijd wel een beetje  een vreemde teruggetrokken vrije vogel, maar vandaag zat ie er niet lekker bij.

“Dag Harms, man tijd niet gezien? Zin in een bakje troost van het huis? “ Beetje afwezig keek Harms nu naar Japie. “Ach ja, Japie, doe maar. Een smaakwatertje kan ik wel gebruiken”. Harms keek warempel al weer wat beter uit zijn ogen zag Schele Japie. En hoewel hij maar een oog goed kon richten merkte hij meteen op dat hij bij Harms in de roos schoot.

“Wezen kramperen, Harms?” Japie kon natuurlijk onmogelijk zijn nieuwsgierigheid verborgen houden. Wapse keek op de achtergrond toe. “”Zullen we het maar met zijn drieën  nuttigen?” De vraag stierf weg . Japie was al naar de tap en Wapse kwam al snel naar Harms toe om ook zijn nieuwsgierigheid te bevredigen. Harms had de vrienden uit de Friese Wouden heus wel in de smiezen, maar deed alsof ook zijn neus water kon ruiken. Nou, geheimpje, Harms ruikt geen flikker. Maar dat terzijde.

“Tijd niet gezien, Harms,” begon Wapse.

Harms zweeg. Laat maar branden, die jongen, van Friese geïnteresseerdheid naar een nieuwtje. Ooit had zijn vader gezegd dat de Woudfriezen wel tuk waren op een nieuwigheidje. Ze sjokkerden er maar wat graag achteraan. “Huh,” dacht Harms, dat zal dus vast niet alleen bedoeld zijn voor geestelijke zaken. In het echt blijkt het ook wel. 

Terwijl Japie de weer verrukkelijke bruinenbonensap met enig gekletter op de tafel had gezet, de dampen van dat brouwseltje zelfs de neusgaten van Harms – en niet voor het eerst- hadden bedwelmd van vreugde en ook nog eens voorzien van een heerlijk stuk Fries suikerbrood, schoten de mistflarden van melancholie bij Harms weg als sneeuw voor de zon.

Potdorie, die vent met zijn koffie, nergens beter dan in de Gulle Gaper.

“Ja, vrinden, dat doet een mens goed,” begon Harms. “Net zoals die prachtmensen die ik gisteren ontmoette op de camping. Eerst een vriend uit mijn geboortedorp. Ach die jongen was zo blij als wat dat hij er even tussenuit kon. Volgens mij is hij gewoon een beetje jaloers. Hij zou het ook wel willen, maar ja, mogen? Ik heb wel wat met hem te doen. En dan, jonge mensen, met fatsoen. Met vriendelijkheid. Wat zeg ik, echte adspirant Barkleyrenners, maar dan anders. Best spul dat jonge spul tegenwoordig dat nog met een tentje over de woeste Veluwse gronden trekt. Verhipte vriendelijk en aardig. Al moest Dominic niet veel van die Barkleyrenners hebben. Hij vond ze, netjes gezegd een beetje “behoorlijk van het padje “ om zijn woorden maar in “het net” neer te zetten. Beleefd, kortom: ik dacht aan mijn jeugd. Hoe ik als boerenkinkel, sorry boeren, door het leven ben gegaan. Ik hoop er toch nog wat goeds van te hebben gemaakt. Alsnog, al loop ik op mijn eind. Nou ja, bijna dan. En anders kan ik gewoon wat fietsen”.

De mannen keken elkaar eens aan. “Jong volk op de camping? Toch niet met een tent zeker, tegenwoordig gaat alles en iedereen toch met een camper, Harms?” Wapse stootte zijn vraag als een dolk naar Harms. Oh oh, wat wilde hij toch graag meteen alles weten.

Harms slurpte maar eens rustig aan zijn lekkere bak koffie. “Ach, Wapse, doe alles maar met een slakkengang, dan duurt het leven lekker lang.  Een wijsheid, Wapse, die ik leerde op een van de kampeerplekjes in de Gelderse vallei. En zo is het. De jongelui van tegenwoordig hebben er gelukkig zeg ik, best wel wat verstand van. Ze trekken er al lopend met hun rugzak over de Veluwse grond lekker voor een weekend tussen uit. Vermaken de oude garde, zoals ik , met hun uitnemend enthousiasme en eigenlijk kan zo’n dag en ochtend niet meer stuk. En ja, zelfs een leuke tip werd gewaardeerd. Daar kun je een pepermuntje voor in je mond steken.”

Nou, de mannen snapten er niet veel van. Maar Naomi en Domenic nu des te meer.

Verbaasd over de woordenvloed van Harms keken de mannen eens naar elkaar. ’t Leek erop dat Harms begon te ontdooien.

“Gisterenmorgen stak ik mijn doffe kop even buiten het tentdoek en ja hoor, zegt Domenic bijna gelijktijdig met zijn vriendin Noami “Goedemorgen Harms, leuk je te zien! Goed geslapen? “

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is 1ED12C26-B5AE-43B0-A1C7-9BC2F0766543_1_105_c-1.jpeg

Nou mannen, ik verzeker jullie, zo aardig tegenwoordig, zo beschaafd. Ik ben er bijna ontroerd van. En ik had dat wel even nodig. Zat er de laatste tijd wel een beetje doorheen”.

De mannen zwegen samen. De kruik van de Beerenburger had Schele Japie allang ontkurkt. De borreltjes gleden langzaam door het keelgat. Harms zweeg en staarde in het niets.

“Harms,” begon Wapse, “ik brand van…”

W””Wat, stoof Harms overeind, dat woord Wapse, dat woord wil ik nu even niet meer horen. En als je dat herhaald Wapse, en zijn ogen schoten vuur, dan, Wapse kom ik hier niet weer. Japie, ik wil nu afrekenen”. 

Verbouwereerd keken de mannen elkaar eens aan. Japie zijn schele oog zat helemaal op de poolster. Het zuiderkruis was net voor zijn andere oog niet  meer bereikbaar. Ze keken elkaar stomverbaasd door de uitval van Harms, aan. “Eh Harms, is goed. Eh , eh, is van de zaak..”mompelde Japie met de schrik in zijn stramme knieën .

Harms zijn baard wipte van verontwaardiging in alle richtingen. “Google maar eens op mijn adres, joh, en dan snap je wel dat ik allergisch ben voor dat woord”.

Met een ruk was Harms opgestaan. Tranen van gekrenkte gevoelens speelden op. 

Ergens in de verte zwierde een ligfiets. Een oude man. Tranen welden op. “Brand, Brand, Waardeloos. Waardeloos, “ mompelde hij. Maar zijn woorden verdwenen in de leegte van zijn bestaan.

Nunspeet, 30 oktober 2022

De corona dagen in het najaar van 2021

“Ach ach”. De sjokkende oude man keek zijn vriend eens aan. “Ach ach, het gaat allemaal niet best meer he? Pijn in je liezen, een doktersassistente die je de maat neemt over je eet en snoepgedrag, je rammelende ondergebit dat ook echt nodig weer eens een onderhoudsbeurtje nodig heeft, de oortjes die er tegenwoordig aangehangen worden omdat je gewoon dik onder de norm van 35% gehoorverlies loopt rond te stieren en bij Hansje Anders mag je, of bij Specspekkie, je centen overdragen voor een extra kijkertje op je oogjes. Ja, beste Evert Hakkelaar, je wordt, nee, je bent gewoon oud aan het worden.” Pier Stiefelaar keek met open ogen naar zijn medewandelaar. Het was gelukkig nog niet donker, maar de donkere wolken die bij zijn medewandelaar over zijn gezicht trokken spraken boekdelen.

“Ah ja, daar zeg je zowat. Jij bent anders ook een die aan de ripperatieonderdelen geen gebrek hebt, als ik dat zo eens mag zeggen”. Stiefelaar keek de Hakkelaar opnieuw aan. “Ja mijn beste, ik zeg ook niet dat dit rammelkastje nu zo hyper functioneert. Daar heb je wel gelijk in. Ga ik eens op mijn “ouwe dag” een nachtje kamperen, kan ik niet eens meer fatsoenlijk thuiskomen met mijn fiets. Het was zes maand terug of zo, een nachtje. Nou ja, dat ging best. Totdat ik een kleine zwieper maakte met mijn fiets. Nog niet eens gevallen en geloof het of niet ik voel me elke dag in dat stomme been nog gepiepeld. Of het niet over gaat. Weet je, we worden hardnekkig in de kwaaltjes. 

Een poosje zeiden beiden mannen maar niks. Ze verzonken in eigen gedachten. “k Wou dat ik vroeger wist wat ik nu wist, zei Stiefelaar. Wel dan had ik nu niet…”. Het geluid van zijn laatste woorden verwaaiden weg in het gebulder van een overvliegend object van de gezamenlijke luchtmacht van België en Nederland.

“ Hu, er zal wel weer een Poetin jochie ons luchtruim zijn binnengedrongen. Man, vroeger, in de tijd van de Cubacrises, we doken zowat van pure schrik in de kast als er zo’n straaljager langs kwam scheuren…” “Ja, kerel, we leren niks uit de geschiedenis. Oorlogen en geruchten van oorlogen, en men kijkt elkaar niet meer aan, maar bespreekt de onrustgevoelens maar digitaal”. Maar ik denk, als je die andere “hufter” nu eens echt in de ogen kijkt. Maar dan ook echt tegenover je hebt, aan tafel, dan zou het toch beter moeten kunnen?

“Zou je kunnen denken, mijn beste. Maar dat gaat niet. Nee wij praten digitaal, wij beluisteren preekdiensten digitaal en we betalen digitaal. Dat is gevolg van Corona tijd. Nou, ja, elk nadeel heb zein  Foordeel, om met een bekende Nederlander te spreken. We kunnen gewoon lekker in deze rare coronatijd  naar hut casino. En mooi dat niemand dat te weten komt, behalve de deurwaarder.

Hakkelaar keek nu met grote ogen naar zijn vriend Stiefelaar. “Kerel, nooit aan beginnen. Hakkelaar stiet de woorden uit. 

Pier Stiefelaar grijnsde. Die kwam effe binnen. “Stil maar man, ik geef toe dat er veel verleidingen zijn in het leven, maar deze geeft mij alleen maar ergernis. Al die rotreclames. En maar piepen over “geestelijke volksgezondheid”. Als je wat ouder en slimmer wordt is er maar één remedie”. Vragend blikte Hakkelaar naar Stiefelaar. 

Wat mag dat dan zijn mijn beste? Stiefelaar grinnikte en zei: ik heb er geen actieve herinneringen meer aan. 

Het kan me…

“Ha, Japie”. Met een verwilderde blik stoof Wapse de gelagkamer van de Gulle Gaper binnen. Wat verbaasd keek Japie op. Dat was voor hem niet moeilijk, een ooglid optrekkend overzag hij het hele gelaggebeuren wel. Maar dat Wapse zo uitgelaten kwam aanstieren, was wel wat verwonderlijk. Meestal was dat schrandere Friese boertje wat schielijk in zijn bedoeningen.

“Nou, weet je Japie, ik zag Harms. Hij zat op een bankje. En ook al kletterde de regen zowat in zijn spaarzame nekharen, hij zat er en keek knap woest uit de ogen. ’t Leek wel of hij steeds wat aan het mompelen was. Is hij nog niet aan geweest?”

Verbouwereerd was Japie meestal niet van zijn gasten. Sommigen waren uitgelaten, anderen teruggetrokken, sommigen bijna dronken en wilden nog meer van vadertje alcohol genieten. Nou, daar was Japie niet van gediend. Verder diende hij allen die een fikse versnapering niet konden weerstaan.

“Nee, Wapse, man, Harms heb ik vandaag niet aangetroffen”. Wat verdrietig keek Wapse nu om zich heen. “Maar Japie, ik weet het niet hoor, het leek wel of hij “ze niet helemaal op een rijtje had”. “Ach Wapse, de beste man is net de hoge leeftijdsgrens-hoezo grensverleggend? -overschreden. ’t Kereltje heeft de grens van 70 gepasseerd, en ja, volgens mij doet zoiets wel wat met de mens.”

“Nou, Japie, doe mij er maar eentje, ik maak me wel zorgen. “ “Als je hier maar niet komt om je zorgen te verdrinken Wapse, want ook al levert mij dat geld in het laatje, zo ben ik niet. Maar om je te dienen man, een Sonnema’tje voor je”. Beiden mannen schoven nu aan de stamtafel van de Gulle Gaper. “t Is me wat, vervolgde Wapse. Die verhipte knul uit Rusland heeft een grenzeloos geweten. De grens van nota bene een heel land ineens zomaar overschrijden.  Een schurk. En weet je, we maken ons over grensoverschrijdend gedrag van die lui uit de Gooise matras al druk, dit is echter eentje waarmee bloed aan de handen komt”. De beide mannen staarden verdrietig in hun mooie stenenbekertje. ‘Ja, Wapse, het is verschrikkelijk man, nooit gedacht dat ik op mijn 50e dit soort schurkengedrag nog weer zou meemaken…Het is net als vlak voor de 2e wereld oorlog. Die smeerlap van een Snorrewietske, ik wil zijn naam niet eens noemen hier, begon ook met zogenaamde verdwaasde en vervreemde Duitsers. En deze schurk gaat nu de zaak “bevrijden van de genocideplegers”. Wat een leugens, al zeg ik er meteen bij, desinformatie viert vandaag de dag hoogtij. We moeten wel oppassen.  Gut, kijk, daar heb je Harms.”

Niet veel later zaten de mannen gedrieën in de verder lege gelagkamer. “Nou, Harms, hoe gaat het?” Wapse keek met volle belangstelling naar zijn vriend. “Ach, Wapse, ach, wat een wereld man. Ik heb, hoe zal ik het zeggen, ik heb het er niet makkelijk mee. Ik denk echt dat ik oud word. Of dat ik teruggeworpen wordt op jaren terug. Ik weet het niet Wapse. Ik weet het niet.” Een blik van verstandhouding met  Wapse zou bijna iemand kunnen ontgaan. Maar in zijn ooghoeken had Harms wel gezien dat beide mannen elkaar heimelijk blikken toewierpen. “Weet je, Wapse, vervolgde Harms, weet je, het zooitje kan me gestole worre. Ik gaat niet meer met mijn tijd mee dacht ik, ik wordt out, maar mooi niet Wapse, Ik erger mij zoals het ze het tegenswoordig doen. Ik schrijft vanaf nu gewoon foeneties. Ze gooien met praat van “ me dit en me dat”. Ik wordt met dee tee, Wapse ik wordt er gewoon niet goet van. Ik gaat me er niet meer aan erregurre wand voordat ik het me weet krijgt ik er een knappende koppijn van. Waardeloos. En ooit zei een collega van me dat ook al “Waardeloos”. Bij van alles en nog wat. En nu vroegt ie mij onlangs ook nog of ik van allerlij ontwikkelingun niet cynisch zou worre. Nou, ik versekert jullie, als je dit leest, ’t sou je hut bijna denken:” Kom Japie, geeft me maar een bakkie troost. Is gezonder,  want van cynisme wordt een mens niet vrolijk. En die verhipte Poetin doet tegenwoordig nog ergur dan  die luij van die Gooische matras.”

Beide mannen keken eens even in de ooghoeken naar elkaar. ’t Jonge, die Harms, je zag het ze denken, tjonge, die Harms die hat hum egt zitten.

“Lekker bakkie, Japie, weer een hele echte man. Ik knap er van op. Ik kan mij en niet ME maar Mij niet herinneren dat jij zulke lekkere koffie kunt brouwen. En ja, Japie, niet brauwe, maar brouwen. Heerlijk man.” 

Ik ga mij gewoon niet meer ergeren. Ik ga niet meer foeteren. Ik ben voor uw koffie, jullie gezelschap, gewoon dankbaar. En ik zal gewoon normaal Nederlands gebruiken, zoals ik dat als jochie bij mijn vader heb geleerd. Voltooid verleden tijd maar nog steeds toekomst gericht. En onthoud dit: Poetin is niet grensoverschrijdend bezig.”

“Nou, nou, begon Wapse, niet grensoverschrijdend, kom nou toch Harms, wat is het dan?”

Harms was al opgestaan. De simpele digitale afrekening van de vertering was al weer door de digitale snelweg weggewerkt. Gelukkig lag dat verkeer door die Poetin nog niet plat. Nog niet, je weet maar nooit, dacht hij.

Met de deur in de hand draaide Harms zich om. “Manne, dit is niet grensoverschrijdend, dit is- helaas- grensverleggend”.

Gegroet. “Oh, ja, ik ga me, eh, mij, niet verlagen tot cynisme. Ik ben van het “realisme”.

Beteuterd keken de mannen elkaar aan. Harms was vertrokken. “Nou, we nemen er nog maar eentje op, zei Wapse”. “Moet je doen man, moet je doen..

Nunspeet, 24 februari 2022

Pagina 1 van 86

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén