De beslommeringen van een ligfietsende levensgenieter

Categorie: Harms Pagina 1 van 11

Belevenissen van Harms en Wapse.

Sinterklaas

“Wat zit jij nu ineens te grinniken, Harms?” De vraag stierf als het ware weg in de zachte bries. Twee oude vrienden zaten bij elkaar. De fietstocht door de Friese Wouden werd onderbroken door een thermoskannetje koffie, een bankje, een zonnetje. Terwijl de adem door de wind werd opgenomen en een adembenemend uitzicht over de Petsloot langs het bevroren water in de omgeving van de Zandhorst beide vrienden de adem benam, bleef de vraag hangen. Wapse keek eens naar zijn vriend Harms. De oude baas had warempel de baard weer laten groeien zag hij. Gelijk had hij natuurlijk. De koude bracht behoeften bij oudere mensen tot verwarming maar ach heden, onze lieve Heer zorgde goed voor de mensheid. Gewoon een natuurlijke sjaal.

”Tja, Wapse, ik moest denken aan Sinterklaas”.
“Maar kerel daar geloof jij toch niet in? In Sinterklaas bedoel ik”.

Harms plooide zijn snorrebaard een beetje in de mijterkrul. “t Mocht wat, mijn jongen. Ik was net op de kleuterschool. En op de school bij de concurrent van mijn vader was een zekere meester Pit. Enfin, kennelijk aangestoken door het gevoel van concurrentie noemde ik de beste man stiekem (want een held was en ben ik niet hoor) “meneer Pruimepit”.
“Wat heeft dat nu met Sinterklaas te maken?” “Rustig vriend. Ik zal het je vertellen. Er werd op de kleuterschool, ach die kennen ze ook al niet meer tegenwoordig, maar goed, Sinterklaas gevierd. Met Pieten van een bepaalde kleur. Ik zal het verder niet benoemen, maar zo was het vroeger wel. En dit heerschap moest bij Sinterklaas komen. De zak en de roe werd door een zekere Piet gedragen. Vier jaar was ik, “Harms, kom jij maar eens bij Sinterklaas. Gelardeerd door zijn knecht moest ik eraan geloven. En geloof het of niet, het liep mij bijna dun door de broek. Sint had een allemachtig dik boek bij zich en deed het gewichtig open. Die knecht stond er bij een zwaaide met de roe. Je weet wel zo’n bonk van die takachtige bij elkaar gebonden stokjes. Sint bladerde in dat grote boek en keek mij ineens streng aan. “Wat lees ik daar jongeman Harms? Wat lees ik nu? Jij hebt een meester van de school aan de overkant van jullie huis genoemd met een “bijnaam Pruimepit?” Man man, mijn wangetjes gloeiden ik zette het bijna op een blèren. Dat snap je, Die Sint wist alles!” Harms zweeg. Wapse grijnsde. “Ha die had jou mooi te pakken, man. En toen?” Harms keek heel voorzichtig even om zich heen. Niet iedereen hoefde dit verhaal te horen.

“Weet je, die Piet die erbij was, die wilde mij voor straf meenemen in de zak, deed hem open, zwaaide met de roe, enfin, ik maakte dat ik weg kwam. Toen heb ik gezworen nooit meer met die zogenaamde heilige vent en alle andere heilige venten wat van doen te willen hebben”.
Harms zweeg. Ietwat verbaasd keek Wapse nu naar zijn vriend. ‘t Zou toch niet waar zijn? Zag hij bij Harms een traan die weggepinkt werd?

“Weet je Harms, man, ‘t leven geeft zelfs op jonge leeftijd altijd snel aanleg tot trauma’s. ‘ k zou smartengeld vragen!” Zo dat had hij maar eens mooi gezegd. Hij keek zijn vriend aandachtig aan. “Wapse, man, nu, jaren later kwam ik tot de ontdekking, jaren later hè, dat Sint niet bestond. En die zogenaamde Sinterklaas bleek meester Pit te zijn”.

“Allemachtig, wat een pedagogen daar zeg, Harms, ‘k zal het zo zeggen “Pittig”.
Kom, we gaan naar Japie en nemen een gewone borrel op dat gebeuren. En Harms, lig er niet langer van wakker hoor. Dat jij niet meer gelooft in heiligen kan ik nu volkomen begrijpen. Als ik jou was zou ik hier toch maar eens over spreken met een psycholoog of een of andere zieleknijper. Soms is de mensheid echt slecht.”


Dankbaar keek Harms naar zijn vriend. Wat een begrip.
“Weet je Wapse, altijd als ik een borrel bij Japie ga drinken, dan denk ik een beetje aan die zak, de gemiste reis naar Spanje, het dikke boek. ’t Kan me allemaal gestolen worden Wapse. Maar de rust en de ruimte, het uitzicht van de Friese Wouden? Dat geeft mij rust man.”


“Ik ben blij, Harms, dat er bij jou tenminste nog wat pit zit. Anders, ook al vertel ik het niet verder, had ik het nooit gehoord.”

Nunspeet, 18/12/2022

De ontmoeting met de jeugd van tegenwoordig.

“Nou nou, moet je die zien” sprak Japie  bijna verontwaardigd. “Die Harms. Zit me daar een beetje sippig voor zich uit te staren. Wapse, ik snap het niet, maar Harms is niet positief gestemd vandaag.”

“Ach, Japie, iedere piano heeft wel een beetje een vals toontje. Zal met Harms ook wel zo wezen. Snappen doe ik het ook niet, want ik zag hem gisteren nog in zijn tentje op het Nieuwe Doedelplaatsje van staatsbosbeheer.

 “Oh, is ie weer wezen kramperen? Tja, dat verklaard alles. Zal ik hem maar het recept van het huis aanbieden? “ Wapse keek eens naar zijn vriend Schele Japie. De kastelein, van alle markten thuis, was eigenlijk wel een beste vent. “Nou, Japie, ik denk dat een stevige borrel misschien beter aan Harms besteed is, maar jouw bruinenbonensap, ik weet het niet zeker, maar uit zijn geschriften, hij zou zo maar eens “ja” kunnen zeggen.” 

Japie schoof al richting het kleine tafeltje in de hoek. Harms was altijd wel een beetje  een vreemde teruggetrokken vrije vogel, maar vandaag zat ie er niet lekker bij.

“Dag Harms, man tijd niet gezien? Zin in een bakje troost van het huis? “ Beetje afwezig keek Harms nu naar Japie. “Ach ja, Japie, doe maar. Een smaakwatertje kan ik wel gebruiken”. Harms keek warempel al weer wat beter uit zijn ogen zag Schele Japie. En hoewel hij maar een oog goed kon richten merkte hij meteen op dat hij bij Harms in de roos schoot.

“Wezen kramperen, Harms?” Japie kon natuurlijk onmogelijk zijn nieuwsgierigheid verborgen houden. Wapse keek op de achtergrond toe. “”Zullen we het maar met zijn drieën  nuttigen?” De vraag stierf weg . Japie was al naar de tap en Wapse kwam al snel naar Harms toe om ook zijn nieuwsgierigheid te bevredigen. Harms had de vrienden uit de Friese Wouden heus wel in de smiezen, maar deed alsof ook zijn neus water kon ruiken. Nou, geheimpje, Harms ruikt geen flikker. Maar dat terzijde.

“Tijd niet gezien, Harms,” begon Wapse.

Harms zweeg. Laat maar branden, die jongen, van Friese geïnteresseerdheid naar een nieuwtje. Ooit had zijn vader gezegd dat de Woudfriezen wel tuk waren op een nieuwigheidje. Ze sjokkerden er maar wat graag achteraan. “Huh,” dacht Harms, dat zal dus vast niet alleen bedoeld zijn voor geestelijke zaken. In het echt blijkt het ook wel. 

Terwijl Japie de weer verrukkelijke bruinenbonensap met enig gekletter op de tafel had gezet, de dampen van dat brouwseltje zelfs de neusgaten van Harms – en niet voor het eerst- hadden bedwelmd van vreugde en ook nog eens voorzien van een heerlijk stuk Fries suikerbrood, schoten de mistflarden van melancholie bij Harms weg als sneeuw voor de zon.

Potdorie, die vent met zijn koffie, nergens beter dan in de Gulle Gaper.

“Ja, vrinden, dat doet een mens goed,” begon Harms. “Net zoals die prachtmensen die ik gisteren ontmoette op de camping. Eerst een vriend uit mijn geboortedorp. Ach die jongen was zo blij als wat dat hij er even tussenuit kon. Volgens mij is hij gewoon een beetje jaloers. Hij zou het ook wel willen, maar ja, mogen? Ik heb wel wat met hem te doen. En dan, jonge mensen, met fatsoen. Met vriendelijkheid. Wat zeg ik, echte adspirant Barkleyrenners, maar dan anders. Best spul dat jonge spul tegenwoordig dat nog met een tentje over de woeste Veluwse gronden trekt. Verhipte vriendelijk en aardig. Al moest Dominic niet veel van die Barkleyrenners hebben. Hij vond ze, netjes gezegd een beetje “behoorlijk van het padje “ om zijn woorden maar in “het net” neer te zetten. Beleefd, kortom: ik dacht aan mijn jeugd. Hoe ik als boerenkinkel, sorry boeren, door het leven ben gegaan. Ik hoop er toch nog wat goeds van te hebben gemaakt. Alsnog, al loop ik op mijn eind. Nou ja, bijna dan. En anders kan ik gewoon wat fietsen”.

De mannen keken elkaar eens aan. “Jong volk op de camping? Toch niet met een tent zeker, tegenwoordig gaat alles en iedereen toch met een camper, Harms?” Wapse stootte zijn vraag als een dolk naar Harms. Oh oh, wat wilde hij toch graag meteen alles weten.

Harms slurpte maar eens rustig aan zijn lekkere bak koffie. “Ach, Wapse, doe alles maar met een slakkengang, dan duurt het leven lekker lang.  Een wijsheid, Wapse, die ik leerde op een van de kampeerplekjes in de Gelderse vallei. En zo is het. De jongelui van tegenwoordig hebben er gelukkig zeg ik, best wel wat verstand van. Ze trekken er al lopend met hun rugzak over de Veluwse grond lekker voor een weekend tussen uit. Vermaken de oude garde, zoals ik , met hun uitnemend enthousiasme en eigenlijk kan zo’n dag en ochtend niet meer stuk. En ja, zelfs een leuke tip werd gewaardeerd. Daar kun je een pepermuntje voor in je mond steken.”

Nou, de mannen snapten er niet veel van. Maar Naomi en Domenic nu des te meer.

Verbaasd over de woordenvloed van Harms keken de mannen eens naar elkaar. ’t Leek erop dat Harms begon te ontdooien.

“Gisterenmorgen stak ik mijn doffe kop even buiten het tentdoek en ja hoor, zegt Domenic bijna gelijktijdig met zijn vriendin Noami “Goedemorgen Harms, leuk je te zien! Goed geslapen? “

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is 1ED12C26-B5AE-43B0-A1C7-9BC2F0766543_1_105_c-1.jpeg

Nou mannen, ik verzeker jullie, zo aardig tegenwoordig, zo beschaafd. Ik ben er bijna ontroerd van. En ik had dat wel even nodig. Zat er de laatste tijd wel een beetje doorheen”.

De mannen zwegen samen. De kruik van de Beerenburger had Schele Japie allang ontkurkt. De borreltjes gleden langzaam door het keelgat. Harms zweeg en staarde in het niets.

“Harms,” begon Wapse, “ik brand van…”

W””Wat, stoof Harms overeind, dat woord Wapse, dat woord wil ik nu even niet meer horen. En als je dat herhaald Wapse, en zijn ogen schoten vuur, dan, Wapse kom ik hier niet weer. Japie, ik wil nu afrekenen”. 

Verbouwereerd keken de mannen elkaar eens aan. Japie zijn schele oog zat helemaal op de poolster. Het zuiderkruis was net voor zijn andere oog niet  meer bereikbaar. Ze keken elkaar stomverbaasd door de uitval van Harms, aan. “Eh Harms, is goed. Eh , eh, is van de zaak..”mompelde Japie met de schrik in zijn stramme knieën .

Harms zijn baard wipte van verontwaardiging in alle richtingen. “Google maar eens op mijn adres, joh, en dan snap je wel dat ik allergisch ben voor dat woord”.

Met een ruk was Harms opgestaan. Tranen van gekrenkte gevoelens speelden op. 

Ergens in de verte zwierde een ligfiets. Een oude man. Tranen welden op. “Brand, Brand, Waardeloos. Waardeloos, “ mompelde hij. Maar zijn woorden verdwenen in de leegte van zijn bestaan.

Nunspeet, 30 oktober 2022

Het kan me…

“Ha, Japie”. Met een verwilderde blik stoof Wapse de gelagkamer van de Gulle Gaper binnen. Wat verbaasd keek Japie op. Dat was voor hem niet moeilijk, een ooglid optrekkend overzag hij het hele gelaggebeuren wel. Maar dat Wapse zo uitgelaten kwam aanstieren, was wel wat verwonderlijk. Meestal was dat schrandere Friese boertje wat schielijk in zijn bedoeningen.

“Nou, weet je Japie, ik zag Harms. Hij zat op een bankje. En ook al kletterde de regen zowat in zijn spaarzame nekharen, hij zat er en keek knap woest uit de ogen. ’t Leek wel of hij steeds wat aan het mompelen was. Is hij nog niet aan geweest?”

Verbouwereerd was Japie meestal niet van zijn gasten. Sommigen waren uitgelaten, anderen teruggetrokken, sommigen bijna dronken en wilden nog meer van vadertje alcohol genieten. Nou, daar was Japie niet van gediend. Verder diende hij allen die een fikse versnapering niet konden weerstaan.

“Nee, Wapse, man, Harms heb ik vandaag niet aangetroffen”. Wat verdrietig keek Wapse nu om zich heen. “Maar Japie, ik weet het niet hoor, het leek wel of hij “ze niet helemaal op een rijtje had”. “Ach Wapse, de beste man is net de hoge leeftijdsgrens-hoezo grensverleggend? -overschreden. ’t Kereltje heeft de grens van 70 gepasseerd, en ja, volgens mij doet zoiets wel wat met de mens.”

“Nou, Japie, doe mij er maar eentje, ik maak me wel zorgen. “ “Als je hier maar niet komt om je zorgen te verdrinken Wapse, want ook al levert mij dat geld in het laatje, zo ben ik niet. Maar om je te dienen man, een Sonnema’tje voor je”. Beiden mannen schoven nu aan de stamtafel van de Gulle Gaper. “t Is me wat, vervolgde Wapse. Die verhipte knul uit Rusland heeft een grenzeloos geweten. De grens van nota bene een heel land ineens zomaar overschrijden.  Een schurk. En weet je, we maken ons over grensoverschrijdend gedrag van die lui uit de Gooise matras al druk, dit is echter eentje waarmee bloed aan de handen komt”. De beide mannen staarden verdrietig in hun mooie stenenbekertje. ‘Ja, Wapse, het is verschrikkelijk man, nooit gedacht dat ik op mijn 50e dit soort schurkengedrag nog weer zou meemaken…Het is net als vlak voor de 2e wereld oorlog. Die smeerlap van een Snorrewietske, ik wil zijn naam niet eens noemen hier, begon ook met zogenaamde verdwaasde en vervreemde Duitsers. En deze schurk gaat nu de zaak “bevrijden van de genocideplegers”. Wat een leugens, al zeg ik er meteen bij, desinformatie viert vandaag de dag hoogtij. We moeten wel oppassen.  Gut, kijk, daar heb je Harms.”

Niet veel later zaten de mannen gedrieën in de verder lege gelagkamer. “Nou, Harms, hoe gaat het?” Wapse keek met volle belangstelling naar zijn vriend. “Ach, Wapse, ach, wat een wereld man. Ik heb, hoe zal ik het zeggen, ik heb het er niet makkelijk mee. Ik denk echt dat ik oud word. Of dat ik teruggeworpen wordt op jaren terug. Ik weet het niet Wapse. Ik weet het niet.” Een blik van verstandhouding met  Wapse zou bijna iemand kunnen ontgaan. Maar in zijn ooghoeken had Harms wel gezien dat beide mannen elkaar heimelijk blikken toewierpen. “Weet je, Wapse, vervolgde Harms, weet je, het zooitje kan me gestole worre. Ik gaat niet meer met mijn tijd mee dacht ik, ik wordt out, maar mooi niet Wapse, Ik erger mij zoals het ze het tegenswoordig doen. Ik schrijft vanaf nu gewoon foeneties. Ze gooien met praat van “ me dit en me dat”. Ik wordt met dee tee, Wapse ik wordt er gewoon niet goet van. Ik gaat me er niet meer aan erregurre wand voordat ik het me weet krijgt ik er een knappende koppijn van. Waardeloos. En ooit zei een collega van me dat ook al “Waardeloos”. Bij van alles en nog wat. En nu vroegt ie mij onlangs ook nog of ik van allerlij ontwikkelingun niet cynisch zou worre. Nou, ik versekert jullie, als je dit leest, ’t sou je hut bijna denken:” Kom Japie, geeft me maar een bakkie troost. Is gezonder,  want van cynisme wordt een mens niet vrolijk. En die verhipte Poetin doet tegenwoordig nog ergur dan  die luij van die Gooische matras.”

Beide mannen keken eens even in de ooghoeken naar elkaar. ’t Jonge, die Harms, je zag het ze denken, tjonge, die Harms die hat hum egt zitten.

“Lekker bakkie, Japie, weer een hele echte man. Ik knap er van op. Ik kan mij en niet ME maar Mij niet herinneren dat jij zulke lekkere koffie kunt brouwen. En ja, Japie, niet brauwe, maar brouwen. Heerlijk man.” 

Ik ga mij gewoon niet meer ergeren. Ik ga niet meer foeteren. Ik ben voor uw koffie, jullie gezelschap, gewoon dankbaar. En ik zal gewoon normaal Nederlands gebruiken, zoals ik dat als jochie bij mijn vader heb geleerd. Voltooid verleden tijd maar nog steeds toekomst gericht. En onthoud dit: Poetin is niet grensoverschrijdend bezig.”

“Nou, nou, begon Wapse, niet grensoverschrijdend, kom nou toch Harms, wat is het dan?”

Harms was al opgestaan. De simpele digitale afrekening van de vertering was al weer door de digitale snelweg weggewerkt. Gelukkig lag dat verkeer door die Poetin nog niet plat. Nog niet, je weet maar nooit, dacht hij.

Met de deur in de hand draaide Harms zich om. “Manne, dit is niet grensoverschrijdend, dit is- helaas- grensverleggend”.

Gegroet. “Oh, ja, ik ga me, eh, mij, niet verlagen tot cynisme. Ik ben van het “realisme”.

Beteuterd keken de mannen elkaar aan. Harms was vertrokken. “Nou, we nemen er nog maar eentje op, zei Wapse”. “Moet je doen man, moet je doen..

Nunspeet, 24 februari 2022

’t Is zoals het is…

“Ha Wapse, kerel, wat leuk om jou tegen te komen!” 

“Nou, Harms, wat een enthousiasme, ben ik nu zo leuk op mijn ouwe dag?”

Verbouwereerd keek Harms eens naar boertje Wapse. Man man, wat is dat nu weer? Harms zag het hem denken. Maar ja, Harms was gewoon blij. Eindelijk in de beroerde Coronatijd eens weer wat “onder de mensen”. Of Wapse nu een “mens” was, ja, dat is natuurlijk een onnatuurlijke vraagstelling. Stelselmatig moest Harms echter altijd weer aan dat schrandere boertje uit de Friese wouden denken. Op de Veluwe waren en zijn de mensen vaak best wel een beetje stug, maar hier in de Friese Wouden zijn ze toch wat meer…Enfin, een wereld aan gedachten schoten door Harms als pijnscheuten door de kuiten. Stug op de Veluwe. Maar  in zijn woonplaats bijvoorbeeld heel erg hartelijk. In tegenstelling tot zijn geboorteplaats, paar km ‘s verderop, waar stugheid de norm is.

Harms krabde zich eens op zijn achterhoofd. Neen, niet achter de oren want voor je het wist waren dan de oorondersteuners verworden tot financiële kreuners. Die oorapparaatjes kun je niet meer missen omdat je dan veel te veel moet missen. 

“Wapse, man ik vind het fijn om eindelijk weer eens onder de mensen te zijn. En jouw aanwezigheid is en staat borg voor gezelligheid. Feestavonden, dance festijnen en zo zijn aan mij niet besteed, maar een goed gesprek en een lekkere bak koffie, ja daar ga ik voor. Ga je mee? Op naar de Gulle Gaper en Wapse, kijk nu niet of je water ziet branden, ik betaal.”

“Nou, Harms, dan ik zeg geen nee. Ik ben geboosterd, geroosterd, geprikt en weet ik wat. Wordt vermoedelijk getild door de belastingdienst al heb ik, eerlijk is eerlijk,  geen toeslagen gekregen, maar ja, voor de rest zal het zo zijn: geef mijn portie maar aan fikkie. Ik ga alleen niet meer discussiëren over nut, noodzaak en betrouwbaarheid van de overheid. Het is wat het is, en ik denk: niet best. Maar ja…”

“Nou, Wapse toch, zelf heb ik jaren en jaren voor de overheid gewerkt. En ik ben er bijna aan onderdoor gegaan. Ik weet dat er velen binnen de overheid met ziel en zaligheid hun beste krachten geven voor de maatschappij. In de politiek en ook zeker ambtelijk. Maar de laatste tijd….Peinzend keek Harms voor zich uit. Krijg nou wat, dacht Wapse, zie ik nou tranen bij Harms? Harms tilde even zijn hoed op.” Ja Wapse, man, ik kan soms wel, wat zeg ik, soms? Wel man, ik kan wel janken. Hoe ontzettend  slecht men is voor de Groningers. Zal eens aan Japie vragen als echte Fries wat hij daar van vindt. Ik kan er wel om janken. En oplossen?? Ben je bedonderd Wapse, ’t zal die k…fiolen in Den Haag worst zijn. En kom bij mij niet aan met “ het is wat het is” want ik word er verdorie witheet van. Ouders uit hun huizen jagen, kinderen uit huis plaatsen, beloven dat ze “de schade vergoeden” en verdikkie Wapse, niks maar dan ook niks kunnen die zwamneuzen in “Den Haag”. Wat? ’t Is, zoals het is? Man sode…hannes op, schande tot op het bot Wapse. Ik vind het zo walgelijk en ik schaam me zo verschrikkelijk dat ik voor dat soort k…violen gewerkt heb! En wat ik ook nog wel even moet ventileren is, dat de terminologie en de kwaliteit van discussiëren daar in Den Haag ook sterk aan het verloederen is. En ik ga er al gewoon aan meedoen, dat is misschien nog wel het ergste. Met de grootste dooddoener “’t Is wat het is”, ik ben er beroerd van. Zo, en nu aan de koffie man”. 

Wapse keek verbaasd. “Man Harms, rustig, jij hebt toch je best gedaan? Eerlijk voor God en vaderland? Wat maak je nou druk….

Kom, we gaan naar Japie.”

Niet veel later zaten de vrienden bij Japie aan de stamtafel. Eindelijk was ook het nodige volk in de gelagkamer van de Gulle Gaper. Het mocht weer. Schielijk keek Wapse naar Harms, verdikkie, die Harms had hem wel zitten. “Japie, heb je wat bruinebonensap voor ons?’. Japie kwam al met een overheerlijk dampende pot koffie aan gelopen. “Manne, daar doe je geweldig goed aan, om weer even aan te leggen. Deze is op zijn Fries gemaakt, en neem zoveel je lust,  eentje breng ik jullie in rekening, de rest tank je maar lekker leeg. Die is voor jullie.”

De beide vrienden lurkten aan de koffie. Hun ogen schoten over de schoteltjes. Jemig wat was die lekker. Had die slimme Japie daar nou echt een scheutje anijs in gedaan?

Niet veel later schuift ook Schele Japie aan de stamtafel. Een vrolijk en opgewekt gezicht.

“Mannen, we leven in een goed land. Alles kan weer bijna open. De mombakkesjes kunnen strakkies ook op de schroothoop. Weet je, er is hoop.” Japie glom. Wapse was verbouwereerd. Harms gromde maar wat. Hij wilde de pret niet drukken.

’t  Is wat het is, Japie..” begon Harms, ach heden begon hij ook al te stuntelen met zijn grammaticale verarming. “Goed gezegd, Japie,” vervolgde Harms: “er is hoop.

De virusellende in het hok en nu maar hopen dat onze Groningers snel en op een fatsoenlijke manier eens echt worden geholpen. ’t Zou eens in Wassenaar moeten zijn…ik kan wel…” 

“Rustig Harms, rustig aan” suste Wapse, “ik begrijp je frustratie, maar het volk kiest zijn eigen vertegenwoordigers, dus dan weet je genoeg, toch?”

“Nou, het kan me”…begon Harms weer. Japie en Wapse keken nu naar hun besnorde vriend. Dat zijn snor trilde van verontwaardiging was nog daar aan toe, maar stond hij  nu op zijn vingers te tellen?

“Wat doe je nu Harms?

Ik tel tot tien mijn beste, want ik zou bijna iets gezegd hebben waar ik eigenlijk geen spijt van heb, maar me wel zou hebben bevuild. De koffie smaakte heel best Japie, dank man en nu? Ik ga eens even lekker buiten in de wind  wandelen. Groet mannen en tot de volgende keer.”

Met een zwiep zette Harms zijn hoed op. De klap van de deur? Werd veroorzaakt door de wind. “Nou Japie, zei Wapse, je ziet en hoort het nu ook: ’t Is wat het is. Laat die Harms jou en mij mooi zitten, kan ik nog betalen ook…”

Nunspeet, 17 februari 2022

Pagina 1 van 11

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén