Ontmoetingen van een fietskampeerder

Ontmoetingen.

Zeldzaam rustig is de dag waarop ik met mijn fiets de wereld in trek. De zevende mei 2008 zal door veel medelanders worden wellicht nog worden benut voor drank en feesten. Maar ik ging bevrijdingsdag op de fiets vieren. Even lekker weg.

De bevrijdingsdag die zoveel mensen op de been had geholpen was al voorbij. Sommigen zijn nog aan het werk, velen kennelijk nog niet. Ik ook niet. Ik kijk vooruit. Gebogen over mijn stuur tuur ik naar de verre verten. Daar immers is inmiddels het pontje van Ameide? Daar moet ik zijn. Natuurlijk vaart de boot met zijn vaartje door de Lek net naar de overkant. Kant noch wal kan ik aan de dienstregeling knopen. Ik heb ook geen meertouw dus moet ik rustig afwachten tot de schipper de steven wendt de boeg langzaam mijn kant laat opkomen. Ik kijk. Om mij heen. Hier en daar een redelijk ontkleed type mens. De bollen bollen bijna uit de schamele strengetjes katoen of wat daar voor door moet gaan. Ik wend mijn blik af. Ga je alleen op pad dan is het zaak de zaken goed in het oog te houden en soms de ogen goed de andere kant op te houden. Ik daal inmiddels af langs de aanlegsteiger en richt mijn blik op wat komen gaat. Staat er ineens een string voor me met uitblikkende billboards die mij, gekleed en wel bijna geweldadige neigingen doet ondergaan. Stel je voor! Neen. Nog net geen billentikker, maar gewoon aan boord. Ik betaal de prijs der overgezette bezette fietser. € 0,95 was ik kwijt en gul als ik ben maak ik er een hele euro van. Zo gaat dat. Maar daar krijg je dan ook wat voor. Een weldadig rustig tochtje over de Lek naar Ameide. Het uitzicht is adembenemend. Nu heb ik het niet meer over de vrouwelijk schoonheid in de natuur maar over de natuur zelf, natuurlijk. Een mens moet zijn ogen de kost geven en voort klief ik over de dijk. Op naar Dordrecht. Net voorbij Waal dender ik af richting Ottoland en wat daar allemaal verder is neergekieperd in de Alblasserwaard. Het windje toetert lekker in mijn rug, bemerk dat ook ik wel enige kledingstukken kan proppen onder de binders op mijn fietstassen. Een banaantje, een lekkere sultana, die mij het gevoel van een sultan geeft, maken het leven knap aangenaam. Drinken drinken en nog eens drinken. Het gevaar voor mij als diabeet is dat ik analfabeet word als ik niet snel en genoeg drink en eet. Regelmaat, rust en reinheid. Drie woorden die voor mij persoonlijk zijn uitgevonden. Ik grijns. De herinnering aan mij pa wordt duidelijk. Die wist er ook wat van. En het grappige is dat ik voor het eerst van mijn leven mij niet afzet tegen mijn pa, maar hem in dankbaarheid gedenk. Waar een fietstocht al niet goed voor is.
Ik sta stil bij een fantastisch fietspad door de weilanden.

De tureluur werd van mij bijna tureluurs. De zwaluw deed haar best mij te imponeren en ik geniet van de jonge grutto op een paal, het verse geurende en weidse gevoel van de weilanden. Vuilendam. Waar die zijn naam vandaan haalt? Ik weet het niet. Misschien zou ik hier eens historisch onderzoek naar moeten doen. Maar of dat historisch onderzoek dan ook zo historisch zou zijn? Ik waag het. Te betwijfelen.
Mijn kilometerstand begint eindelijk vormen aan te nemen van een man op weg naar volwassenheid.
Ik stap af. Rook een lekker stikkie, drink en ga voort. De pijnlijke onderdanen die ook mijn billen doen tintelen geven aan dat ik mij iets op de hals en op de kont gehaald heb waar ik nog niet direct en dadelijk over had nagedacht. Maar dat heeft alles te maken met geweldadige vormen van fietsgeweld, laten voelen dat meer dan dertig kilometer met een zwaar bepakte fiets niet door mij ieder dag werd beoefend. Verroest. Vroeger kon ik dat toch beter. Dan waren dagafstanden van 180 kilometer met bepakking zelfs mogelijk. De tachtig halen, en dan niet de leeftijd maar de afstand, doet mij in gedachten watertanden. In mijn geest sluipt echter de angst.
“Hoi, gij zijt een echte!”. Kijk, da’s nu een echte opsteker. Zeker als de opkomende vermoeidheid mijn geestelijke sloopactiviteiten net wenst te bevorderen. Ik ga er maar eens bij zitten. Een lekker beetje drinken en mijmeren over de weg die ik ben begonnen. Op naar Dordrecht.
“Maar, waarde heer” , zei iemand tegen mij: “hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt”.
Een jonkvrouw van een jaar of 25 stapt af terwijl ik net mijn kaart bestudeer. Vlak bij Wijngaarden. Maar geen wijngaard in de buurt om eens lekker “los” te gaan. Trouwens, met drank op en dan achter het stuur, zelfs van de fiets met deze hitte is geen aanrader. Of ik het wel kon vinden. “U kunt wel met mij meefietsen, ik ga toch die kant op”. Ho, ho, wat krijgen we nu? ’t Ziet er wel zeker degelijk uit, lange rok, en een dikke tas op de fiets. Ja, ze komt van een of andere school en ze moet ook via Wijngaarden. Daar zal ze me verder verwijzen. Kijk, zo fiets je alleen en zo fiets je niet meer alleen over deze aardbal.
Na een gezellige kout laat ze me in de waan dat ik toch eigenlijk ook wel een flinke ondernemende man ben “op uw leeftijd”. Bang. Dank je. Zo ruig gaat het er tegenwoordig bij onze lieve jeugd aan toe. Toe maar. De kramp in mijn kuiten is natuurlijk een natuurlijk gevolg van mijn natuurlijk groeiend zelfbewustzijn van de flinkheid die mij wordt toegedicht. Dat is het. Geen kramp maar een “opsteker”. Zo. En als je er zo tegen aankijkt, ach dan kun je de laatste hobbels ook wel nemen. En het waren hobbels. Ik moest van de fiets! Ik kon er letterlijk niet tegenop. De berg die ir. Lely in zijn stoute dromen had gedroomd werd juist op mijn pad neergelegd. Een dijk om “u” tegen te zeggen. En toen ook nog eens over het spoor en de Merwede. Enfin, ik geraakte, geradbraakt en wel op een kleine kilometer afstand denk ik van de plaats van mijn toekomstige bestemming wel waar ik wezen wilde. De plaatselijke routebeschrijvers hadden hun werk naar behoren gedaan. Ontdaan dat ik nu al de 50 kilometer had afgelegd deed mij grijpen naar de telefoon. De overkant werd gebeld en een zeer welwillende schipper zei dat hij mij met alle liefde wilde overvaren. De fiets werd er ontdaan van. Dat moest.
De tassen moesten eraf. De fiets? Mocht niet mee. In een grote loods moest ik mijn grote liefde achterlaten. De stumper. Ik had met mijn fiets wel te doen. Bijna ondoenlijk na zoveel dienstbare draagbaarheid.; De fiets mocht niet mee naar de overkant. En bleef in een bloedhete gruwelijke eenzaamheid achter. Als de banden door de hitte maar niet zouden ploffen.
Al puffend en zwetend ontmoette ik de huismeester, de huismeesteres, kreeg een plekkie om te kiezen en stond er buiten. Buitengewoon.
Nadien heb ik mijn bierblikken losgerukt. Geweldig. De Kleine Rug in Dordrecht is bijna, bijna een aanrader.
Maar het bijna moet ik natuurlijk nog verklaren.
Nu is de geest uit de fles. Ik kieper er een paar mooie foto’s tegenaan. De kleine kleine rustpauze in mijn leven kon ik genoeglijk beleven op de Kleine Rug van de Nivon. Het uitzicht vanuit mijn tentje op ploeterende roeiers.
Verder op het schiereiland sta ik bijna met mijn “ poten” in de blubber. Maar ja, da’s nu de Biesbosch.

Zittend langs de waterrand, ja, dan kom je nog eens wat tegen. Mooi met veel bootjes, die ook willen genieten van de schoonheid van de door eb en vloed beheerste Dordtse Biesbosch. Dit is mijn plekje onder de Zon.

Het is echter jammer dat de lieve jeugd bij de afhaalplek een geweldige vorm van herrie weet te produceren die op dit mooie terrein, waar geen honden mogen komen, volledig te horen viel. De uitlaatplaats van de honden aan de overkant bood ook ’s morgens redelijke veel geluidsoverlast. De honden werden uitgelaten en waren uitgelaten. Je kunt ook zeggen de uitgelaten honden werden uitgelaten en ze werden daardoor uitgelaten. Laat ik er verder over zwijgen. Dat doorbreekt de herrie. Ik ben dan ook toch de volgende dag gewoon verder getrokken. De fiets en de fietser werden weer overgezet, de tassen erop geknoopt en voort. De blik op “waar de wind mij heen stuurt” de trappers onder de voeten, de handen in de extra beschermende handschoentjes, de benen in het vet en voort ging het. Mijn weg was naar een prachtige camping uit het groene boekje. Camping de Kreek was mijn doel.

Maar hoe dichter bij Dordt?

Ja, inderdaad, het lijkt wel of je dat gat nooit uitkomt. Dat viel tegen. Maar wel geweldige mooie paden om langs te fietsen. Enfin, op naar de Moerdijkbrug. Razende roelands in hun blik. Bliksemse herrie, die gelukkig na het verlaten van de brug al snel ophield. Een tandemstel, als je dat zo zegt tenminste, de brug over gestuurd. Hij Hollander, zij Amerikaanse. Jong en ondernemend. Mooi werk en wilden de LF route afrossen. Zij liever dan ik. Zij moesten letterlijk tegen de wind in en ik mooi niet. Dan op naar Klundert. Nou, je kunt mijn …zadel kussen. Weg van de snelweg werd wel even heel erg letterlijk genomen. De weg was opgebroken zelfs voor fietsers. Jammer dat ik geen foto heb genomen maar een echt super (l)knullig bord. “Let op, fietsers afstappen en stapvoets rijden”.

Tja daar moet je bijna ambtenaar voor zijn om zoiets te bedenken. Grapdozen. Enfin in Klundert deed ik het ook al niet goed. De frustratie nam hand over fietswiel toe. Weer verkeerd gereden zodat ik toch zeker wel een ommetje van 10 hele kilometers heb moeten maken. Ergens onderweg, nadat ik via een talud de kortste route maar had gepakt, kieperde mijn stuurtas er bijna af. In ieder geval open. Groene boekje vloog over de weg en vermoedelijk ook een fietskaart. Want terwijl ik weer mijn kilometers bij elkaar sprokkelde kwam ik er ineens achter dat ik de kaart met Tholen en de nabije omgeving maar via de tom tom moest zien te klaren. Wel alle kikkers en salamanders nog aan toe. Die heb ik niet. Geen kaart, geen tom tom dus daar zat deze Pieterbaas van ellende op zijn zweetsokken te bijten. Plotseling schoot door mijn geest dat ik toch ook wel geestig en slim kon zijn. Een routekaart via de steeds meer in zwang komende fietsknooppuntenrouteoverzichten deed wonderen. De handen werden volgekalkt met 39. 65, 33, 35, 38 etc.. En het werkt mieters!

Ruim 78 kilometers, maar toen kon ik mijn zakie dan toch mooi deponeren in / op natuurterrein De Kreek in Nieuw-Vossemeer. Read the rest of this entry »