IJskoude windvlagen. Harms rukt zijn pet met flaporen nog maar eens wat vaster om zijn brein. Als het brein koud wordt, dan is het met Harms gedaan. Zoveel denkvermogen kon nog net. De kiertjes van de ruwe sneeuwstorm schoten als een duivelstrapwerk langs zijn gezicht. En met steeds groter worden verlangend naar de warme gelagkamer van Schele Japie stampte Harms de trappers nog maar eens rond. Eindelijk was hij bij de Goddeloze Singel. Een sprintje in deze sneeuwstorm had het karakter van een sprint in de Elfstedentocht. Harms kon er zich wel wat bij voorstellen, de euforie van “binnen” te zijn nam ook hem volkomen in bezit. Niet veel later stapte hij van het stalen ros en plotseling werd zowat de deur van het kleine gelagkamer cafétje De Gulle Gaper opengerukt door de gure koude oostenwind.
“Môge mannen!” De woorden van Harms bestierven als bloemen op bevroren vensterglas in de gelagkamer. Alleen Schele Japie, de trouwe kastelein en het kleine schrandere boertje uit de Friese wouden waren binnen.
”Nee maar, dat is Harms!” Beide mannen waren verbouwereerd maar ook vereerd door het hoge bezoek van hun oude vriend Harms van de Veluwse woeste gronden. “Man man, wat zie jij eruit. Je baard is zo grijs of beter wit van de weersomstandigheden. Alsof jij Methusalem hebt ingehaald. Kom, ga er bij zitten. Bakkie bruinebonensap?”
Nou dat liet Harms zich niet ontzeggen. “Het lijkt wel of je het koud hebt Harms.“
Even schudde Harms, ontdaan door de warme ontvangst, de kille sneeuwvlokken van zijn jas en broekspijpen. “Kijk aan, mannen, t is beestenweer. Maar die koffie Japie? Ja, die lust ik zeker.”
“ Maar heb jij het dan niet koud Harms?” Pontificaal stroopte Harms zijn broekspijpen wat op. “Kiek mijn jong, je denkt toch niet dat ik blotelings mijn stiefelaartjes door deze ijzige wind en storm laat rollen? Kijk mensen, deze onderdanen, die zich best onderdanig gedragen, zijn voorzien van een paar beste warmertjes. Over warmertjes gesproken, Japie, ik lust er nog wel eentje.”
Beide mannen verbaasden zich over die vrolijke Harms. Helemaal niet verkleumd, niet verkild, die Harms, wat, die Harms had gewoon babbel. En hij gooide ook nog eens zijn doorsneeuwde stiefelbakjes onder de tafel. Niet veel later kroop Harms, terwijl de sneeuw van zijn baard droop, bij het kleine kacheltje.
De mannen keken elkaar eens aan. Wat zullen we nou hebben? “ Harms, man wat heb jij nu toch aan die onderdanen van je gedaan?”
Trost showde Harms de nederige onderdanen. Veelkleurige wollen sokken sierden heel zijn lijf en leden. En weet je mannen? Ik heb er nog een paar extra bij mij voor als deze toch nat zouden worden. Kijk. Harms rukte een paar prachtig gekleurde sokken uit zijn rugtas. De mannen wisten niet hoe ze kijken moesten. “Ga jij zo frivool door het leven Harms? Man dat kun je toch niet maken? “ “Ik wel mannen. Deze wonderlijk mooie exemplaren zijn “handmade by my wife”. En weet je ze zijn fantastisch lekker warm. Van zelf gesponnen schapenvachtjes uit de Veluwe. En wolven zijn er ook gek op. Daarom show ik ze alleen onder de broekspijpen. Mij ega heeft ze in soorten en maten en maten weet je? Je kunt ze op bestelling kopen. Ik drapeer ze wel.”

Spinnend van genoegen dronken de mannen hun heerlijke bruinenbonenspapjes.
Koude voeten had Harms niet meer. Tevreden groette hij de beide mannen in het kleine café aan de Goddeloze Singel. Ha, dacht Harms, bijna goddelijke sokken. Lekker warm.
Nunspeet, 4 februari 2026
Geef een reactie