De beslommeringen van een ligfietsende levensgenieter

Auteur: Sjaak de Stiefelaar Pagina 1 van 96

Elke dag een dagje ouder. Elke dag hoop ik een stukje wijzer te worden. En elke dag iets minder eigenwijs(zer).

Ontmoeting in de kijkhut

“Gut, Wapse, kijk, daar heb je Harms!”

Verrassend snel stoof Schele Japie naar de tap. Een verse bak bruinebonensap, dat was de remedie om Harms te vriend te houden. En jazeker, Japie, die kende zijn pappenheimers. Wapse keek bijna verontrustend naar de snelle activiteit van de oude café-baas. Nou, daar zul je hem hebben.
Niet veel later kwam inderdaad onze eigen Harms naar binnen schuifelen.
“Lang geleden man, maar welkom in dit kleine café”. Even deed Harms of hij het in Keulen hoorde donderen. Maar veel van dat geluid drong natuurlijk bij de doof wordende Harms niet door. Wel de gelukzalige snuiten van zijn beide café vrienden. Ja, die maten die had hij wel gemist. Een ziekenhuisopname verder en dan weer herstellen, het vergde van de oude baas veel energie. En die was hij in de laatste weken wel kwijtgeraakt. Nog even had hij met de fiets aan de hand lopen zoeken. Misschien toch stiekem laten staan, die pot energie, onderweg naar de Friese Wouden. Je weet immers maar nooit. Neen, Harms werd er bijna treurig van, maar enfin, hij is op de weg terug. En zowaar, zijn vrienden in de Gulle Gaper, ze waren er ook.


Niet veel later genoot Harms langzaam, alles moest immers steeds langzamer, van zijn bakje bruinenbonensap.
“Nou Harms, dat is alweer lang geleden man. Maar als ik je zo bekijk, lijkt het erop dat het wel weer een beetje aan kachelt.” “Ja Japie, ik ben weer een beetje in de benen, al zal ik die stelten niet tonen. De vogels in de lucht zouden pardoes als door gedropte dronen doodvallen van schrik. Veel spek zit er niet meer aan en de kleurtjes, nou daar kan een bruine Piet alleen maar van dromen. Maar goed, gisteren was ik zowaar eindelijk weer eens op de fiets in de vogel kijkhut. In mijn geboorteplaats nog wel en Liudger, of Ludger, omisschien zelfs wel vriend van Bonifacius, ik weet nooit of ze elkaar kenden, konden mijn bezoek wel waarderen. Man, het was zowaar gezellig. Een oude baas, nou ja ik denk zelfs dat ie wel een jaartje of 8 ouder was dan ik, maar dat terzijde, stond ook met zijn kijkers door de kijker te koekeloeren. Hij zag net zoveel als ik. Niet veel bijzonders dus eigenlijk. En ineens ontspon zich zowaar een heel gesprek. Man man, het begon met te zeggen dat hij deze week naar heitelàn zou gaan. En kijk vrienden, toen ging zijn en mijn spreekbuis woordelijk open. Hij had daar familie, hij had daar een moeder, die hem ter wereld had gebracht, hij had daar “roots” en zo ontspon zich een alleraardigst gesprek. Moeder, ooit gediend bij een of andere freule in een deftig gebeuren in Leeuwarden ging als dienstertje mee naar de Veluwe. En zo is het gekomen. En hij dus ook, gebleven op de Veluwe maar de tak van zijn oorsprong is dus in het mooie Friesland.
De heer Oosterhuis had gediend bij hare majesteits paardenlegioen. De gouden kar getrokken, hij had een foto van Willem Alex Ander(s) op zijn paard, die reed vaak bij hen (hij deed bereden politie) en geloof het of het niet hij kende mijn oud-buurman Poolvrouw, die ook bij de bereden politie had gediend. Man, een pracht van een gesprek en hij liet mij de hele santenkraam aan foto’s die hij van zijn familie had meteen maar even zien. Die oudjes gaan tegenwoordig aardig met hun tijd mee. En uiteraard van hem in uniform te paard en zo.
Ik waarschuwde hem dat hij op glad ijs begon te geraken toen hij en passant ook nog vertelde van een of ander familielid uit Rottevalle. De schrik sloeg om mijn hart mensen, Japie doe nog eens een bakkie teut, (kerel wat verrekte lekker en wat heb ik jullie en dit brouwsel van je met eerbied hoor Japie, gesproken) wat heb ik dat allemaal gemist.


“Schrik Harms? Waarom?” “ Nou, Wapse dat zal ik je vertellen. Als ik de geschiedenisboekjes in duikel dan kom ik voorgeslacht uit Rottevalle tegen! Kijk, dat zou dus zomaar kunnen. Hij een moeder van 1908, ik een vader van 1911, beiden uit Friesland, beiden met “roots zeg maar” in Rottevalle en voordat je het weet zit je misschien “opgescheept” met een nader familielid. Nou was die Oosterhuis wel een heel aardige hoor, en hij hield van de ruimte, en vogeltjes kijken was een ware lieve lust. En het klikte wonderwel meteen met elkaar. Ook vertelde hij dat hij tot een dikke 8 jaar geleden het geweer ter doding van dieren (mag ik aannemen) in de kast heeft laten staan. Niet dat hij jagen niet meer leuk vond, maar voordat je weer een vergunning (!) kreeg moest je door een halve meter papierwerk…Dat zag onze oud bereden politieman en ook nog begeleider van de gouden koets niet meer zo zitten. Enfin mannen, hij wilde niet naar Friesland om te wonen. Zijn vrouw wel. Bij ons is dat natuurlijk net andersom, maar jullie weten: Harms heeft geen fluit in te brengen. Enfin, een bezoekje aan jullie vrienden, is ook zo slecht nog niet. En oh ja, ook zijn tak zat nog geworteld aan de Boomsma’s. Kijk, nadat ik hem verteld had dat bij Hoeksma e.e.a ter dekking stond vermeld in een oude Friese Courant eind jaren 1800, tegen de prijs van een paar gulden per dekking (en niet op zondag..) en ik had uitgerekend wat een liter jenever of wijn, ik moet het zelf weer lezen, van de beste soort ging kosten (ik liet het maar op deze verhalenbundel zien, ook ik ga met mijn tijd mee, (https://www.pieterhoeksma.nl/2008/10/11/lekker-drankje-en-leuke-krullebol/) toen werd het nog gezellig. Straks ben ik ook nog familie van die Boomsma.
In ieder geval denk ik maar mee met Paulus. De dokter vond het niet zo amusant dat ik alcohol zou drinken. Maar ik ben bijbelvast (althans..) een weinig wijns, vertaal ik dan maar in “een klein borreltje van Boomsma”. Kom Japie, schenk voor ons eens in. Waggelen doe ik tegenwoordig toch al op mijn fiets. Tijd voor een driewieler misschien, maar nu tijd voor een BB.
Even keek Schele Japie recht naar zijn andere vriend Wapse. Een knipoog van Schele Japie ontging zelfs Harms niet. Maar de grijns die Harms had zagen beide mannen niet.
Niet veel later zaten drie mannen te lurken aan dat heerlijke borreltje van wie weet wel oude familieleden, Boomsma. Niet te veel. Dat kan rot vallen. Dat dan weer wel.

Nunspeet, 29 april 2026

Ambulance-personeel

Wapse en Schele Japie. Beiden mannen staan wat droevig te staan.

” Japie, wat is dat nu met Harms? ” Met Harms?”

“Ja joh, ik hoorde dat ie in een ambulance lag. En het enige..? “

“Wat, Harms in een ambulance? Nou geen wonder dat ik hem niet meer de laatste dagen had gezien. Wat mankeert die dan?”

“Weet je Wapse, zijn vrouw had gezegd “ hang die vuile was niet buiten, maar dit mag je van Harms vertellen “ wat zijn met name de ambulance broeders onvoorstelbaar professioneel en heel verschrikkelijk, hij vond dit het meest moeilijke woord en een tegenstrijdigheid in zichzelf, lieve mensen. Hij had nooit in die 74 jaar begrepen dat die ook nog op deze aardkorst rondliepen. Man hij was, hij kon blijkbaar amper wat uitbrengen. Volgens zijn vrouw was dat wat hij toch wel nadrukkelijk wilde melden. En daarna was het met spoed “vort”.

Beide mannen keken elkaar aan. Tjoh, die Harms. “Weet je Wapse, ik heb begrepen dat ie weer een beetje boven Jan is. Lekker laten sudderen die zal wel bijtrekken en misschien komt ie dan wel een bak troost halen. Krijgt ie gewoon van de zaak, maar Wapse, het deed mij wel wat hoor. Harms, hij had het blijkbaar flink voor de kiezen. Fijn dat hij thuis is gekomen. En nu hopen dat hij nel bij ons in de Guller Gaper zijn echte Friese bruinenbonensap komt lurken. En Wapse, van mijn part doet hij eindelijk ook weer eens een hele echte BB, van het huis. Verbaasd over zoveel woorden keek Wapse naar de ouwe kastelijn. Zag hij het nou goed? traantje wegpinken? Ach ach, hou ouwer hoe sentimenteler. “Ja Japie, dr heb ie geliek in man. Kom laten we er eentje nemen op Harms en ja man, doe het nu maar eens op mijn rekening.” Stomverbaasd haastte Japie zich naar de tap. “Pfft, die Wapse, ook al sentimenteel”, zo dacht hij, maar een lichte twinkeling in beide schele oogjes, een waarnemer had het kunnen zien.

Harms en de Fluisteraar

“Nou nou, Harms, wat mankeert eraan?”
Even keek Harms schichtig van zich af. Zijn gedachten waren bij zijn vrienden Wapse en Schele Japie. Maar zoals gewoonlijk, Harms kon zwiepen van de hak op de tak. Maar dat hij zijn allerbeste vriend de Fluisteraar tegenkwam, neen, dat had hij niet kunnen denken. “Ach weet je Fluisteraar, je spreekt vaak in jezelf. En ja, dan heb je veel om over te denken. Te piekeren ook wel. Was me er eentje onlangs jarig. En Ja, Fluisteraar, of je het weet of niet, Harms moest en zou zijn steentje bijdragen. Zelf ooit ter wereld gekomen, heeft er wel degelijk weet van. En zo, Fluisteraar, verdiepte ik mij in de ”mens”. Een oud buurman van mij heeft ooit eens gezegd, ze worden met een schreeuw verwekt, ze komen met een schreeuw ter wereld en als ze uit deze wonderlijke woestijn van het leven vertrekken staan er soms ook mensen te schreeuwen. “


“Gut Harms, jij maakt het wel erg bont hoor.” “Ik weet het mijn beste. Maar er zit vast en zeker een kern van waarheid in. Toen een mij bekende medegenoot van de academie des levens het lot onderging om zogezegd te verjaren heb ik hem dan ook maar een berichtje gestuurd. De mensheid is er overigens tegenwoordig knap karig mee, maar goed, dat terzijde.
Zelf probeer ik mij een verjaardag gewoon voor te stellen. Heb het uiteraard ook ondergaan, maar ik betitel zo’n dag toch als één van de ‘wonderbaarlijke baarmoederlijke uitdrijving’ . Toch niet zo overdreven, vind je? “ “ Nee, Fluisteraar, ik kan zoiets eigenlijk ook wel een klein beetje indenken. Ik heb zelf al heel wat keertjes zo’n proces mogen aanschouwen, dus ik begrijp dat jij dit wel zo kunt omschrijven.” “ Hoe gaat dan zoiets verder?” Even moest Harms tot inkeer komen. Hoe zeg je de dingen zonder te zeggen wat je eigenlijk niet zeggen kunt of wilt? Harms gezicht kreeg een ondeugend trekje. Had ie meer last van, vond Fluisteraar, maar ja ook zoiets kun je natuurlijk niet zeggen. “ Ach, die beste vriend van mij confronteerde ik ermee, zo vervolgde Harms. Nou ja, dat klinkt bedreigend, maar nee, je moet bedenken dat zo’n geboorte van zo’n lief ventje, en inmiddels, dat kan ik wel verklappen, een heel aardig medemenselijk medemens, gaat zoals eerder voornoemd gepaard met soms het nodige zucht en steunwerk, daarna de letterlijke verlossing en dan “OH, ’t is een jongetje” of “Oh. Joh, ’t is een meisje!”. Kreten van bewondering van dankbaarheid of wat dan ook, ze gieren door zo’n kamertje. Vreugde kreten, de kleine moet en zal het op een brullen zetten, dat moet voor de longetjes, enfin, zo gaat dat met een klein mensenkind. En dan maar hopen en bidden dat het wurm zich ontpopt tot vredestichter, wijsmens en geen dictatortje. Zelfs die waren waarschijnlijk als kleine jochies misschien wel hartstikke leuk. Bij sommigen, Fluisteraar, kan ik mij dat eerlijk gezegd amper voorstellen want zelfs kleine jochies kunnen zich ontpoppen als grote smeerlappen. Een paar namen liggen nu voor op mijn tong. En het is te veel eer om nu mijn tong af te bijten, maar je begrijpt vast wel op deze gedenkwaardige dag in februari 2026 dat mijn gedachten teruggaan naar een dikke 4 jaar terug. Hoe dan ook de geboorte van zo’n kleintje: je staat erbij, je kijkt ernaar. Fluisteraar, je weet niet wat je ziet maar ’t ontwikkelt zich in de loop van het leven.”
Harms zweeg. De kraaienpootjes rond zijn opgeknipte snorhaartjes krulden. 

Ook Fluisteraar zweeg.
Na die diepe stilte vervolgde Harms: “Verwonderd kijk ik zo naar deze wereld. Heel veel jongetjes en meisjes van mijn leeftijd zijn al “niet meer onder ons”. Ze zaten bij mij in de klas. En ik? Ik mocht toch een feestje vieren. Weer een jaartje. Weer (eigen)wijzer.”
Het is net mijn innerlijke ik. “Kom Japie, vandaag dan voor ons maar een echte borrel. Op ’t leven zou ik zo zeggen en vanwege die bijzondere dag in mijn leven voor jou, en Wapse, voor mijn rekening. ’t Leven wordt inderdaad dus elk jaar duurder”.


Schielijk verdween Schele Japie achter de tap. Wapse, Japie en Harms, innerlijk genietend van dit wonderlijke sapje van de Friese gronden keuvelden nog gezellig in de gelagkamer van de Gulle Gaper in de Friese Wouden. Inwendig verkneukelde Fluisteraar zich.
“Zo, zei, Harms in zichzelf gekeerd, dat was me er eentje op ’t leven”…
23/02/26

Warm

IJskoude windvlagen. Harms rukt zijn pet met flaporen nog maar eens wat vaster om zijn brein. Als het brein koud wordt, dan is het met Harms gedaan. Zoveel denkvermogen kon nog net. De kiertjes van de ruwe sneeuwstorm schoten als een duivelstrapwerk langs zijn gezicht. En met steeds groter worden verlangend naar de warme gelagkamer van Schele Japie stampte Harms de trappers nog maar eens rond. Eindelijk was hij bij de Goddeloze Singel. Een sprintje in deze sneeuwstorm had het karakter van een sprint in de Elfstedentocht. Harms kon er zich wel wat bij voorstellen, de euforie van “binnen” te zijn nam ook hem volkomen in bezit. Niet veel later stapte hij van het stalen ros en plotseling werd zowat de deur van het kleine gelagkamer cafétje De Gulle Gaper opengerukt door de gure koude oostenwind.


“Môge mannen!” De woorden van Harms bestierven als bloemen op bevroren vensterglas in de gelagkamer. Alleen Schele Japie, de trouwe kastelein en het kleine schrandere boertje uit de Friese wouden waren binnen.


”Nee maar, dat is Harms!” Beide mannen waren verbouwereerd maar ook vereerd door het hoge bezoek van hun oude vriend Harms van de Veluwse woeste gronden. “Man man, wat zie jij eruit. Je baard is zo grijs of beter wit van de weersomstandigheden. Alsof jij Methusalem hebt ingehaald. Kom, ga er bij zitten. Bakkie bruinebonensap?”

Nou dat liet Harms zich niet ontzeggen. “Het lijkt wel of je het koud hebt Harms.“


Even schudde Harms, ontdaan door de warme ontvangst, de kille sneeuwvlokken van zijn jas en broekspijpen. “Kijk aan, mannen, t is beestenweer. Maar die koffie Japie? Ja, die lust ik zeker.”


“ Maar heb jij het dan niet koud Harms?” Pontificaal stroopte Harms zijn broekspijpen wat op. “Kiek mijn jong, je denkt toch niet dat ik blotelings mijn stiefelaartjes door deze ijzige wind en storm laat rollen? Kijk mensen, deze onderdanen, die zich best onderdanig gedragen, zijn voorzien van een paar beste warmertjes. Over warmertjes gesproken, Japie, ik lust er nog wel eentje.”


Beide mannen verbaasden zich over die vrolijke Harms. Helemaal niet verkleumd, niet verkild, die Harms, wat, die Harms had gewoon babbel. En hij gooide ook nog eens zijn doorsneeuwde stiefelbakjes onder de tafel. Niet veel later kroop Harms, terwijl de sneeuw van zijn baard droop, bij het kleine kacheltje.


De mannen keken elkaar eens aan. Wat zullen we nou hebben? “ Harms, man wat heb jij nu toch aan die onderdanen van je gedaan?”
Trost showde Harms de nederige onderdanen. Veelkleurige wollen sokken sierden heel zijn lijf en leden. En weet je mannen? Ik heb er nog een paar extra bij mij voor als deze toch nat zouden worden. Kijk. Harms rukte een paar prachtig gekleurde sokken uit zijn rugtas. De mannen wisten niet hoe ze kijken moesten. “Ga jij zo frivool door het leven Harms? Man dat kun je toch niet maken? “ “Ik wel mannen. Deze wonderlijk mooie exemplaren zijn “handmade by my wife”. En weet je ze zijn fantastisch lekker warm. Van zelf gesponnen schapenvachtjes uit de Veluwe. En wolven zijn er ook gek op. Daarom show ik ze alleen onder de broekspijpen. Mij ega heeft ze in soorten en maten en maten weet je? Je kunt ze op bestelling kopen. Ik drapeer ze wel.”

Spinnend van genoegen dronken de mannen hun heerlijke bruinenbonenspapjes.


Koude voeten had Harms niet meer. Tevreden groette hij de beide mannen in het kleine café aan de Goddeloze Singel. Ha, dacht Harms, bijna goddelijke sokken. Lekker warm.

Nunspeet, 4 februari 2026

Pagina 1 van 96

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén