Pieter Hoeksma

De beslommeringen van een ligfietsende levensgenieter

Page 2 of 80

“Niet te schielijk”

Langzaam maar zeker doordrongen de tinten van vele ingrediënten zijn smaakpupillen. Wat een afdronk. Starend in het flakkerende vuurtje van de kachel doortrok de afdronk een geweldige sensatie door zijn lijf. Wat een verrukking. Maar ook sloeg bij hem de melancholische snaar aan het tokkelen. Wat was dat nou toch? 

Ineens verscheen dat krombenige mannetje, Lagers.  Hoepels maken, karren met mooie houten wielen. Klokslag half twaalf kwam hij daar aangelopen. Beetje krom met een snelheid van 3 km per uur. Vaste tred. Op naar café het Watertje, iets voorbij zijn eigen huis. De man keek niet op. De man keek niet om. Nee, vastberaden liep hij daar naar zijn uitspanning van de dag. Café “Het Watertje”. De ontsnapping uit het grauwe bestaan van wagenwaker. Of gewoon uit gewoonte? Even onder de mensen?

Hij schudde zijn hoofd. Dat kon hij hem niet meer vragen. Weggezet als een “notoire zuiperd”. Dat werd hij in de volksmond wel. Want in de mond van zuigelingen en dwazen werden ook wel eens minder goede zaken weg geroddeld.

Terwijl hij nipte aan zijn glas onversneden malt whisky, bedacht hij dat dat met dat “zuipen” wel mee zou vallen.

De caféhouder Van de Water was er niet eentje die zo maar zijn clientèle in het diepe moeras van zuipen ten onder zou laten gaan.  Die liet zijn mensen niet zuipen en al zeker niet “verzuipen”. Kom daar tegenwoordig nog maar eens om. Die moeten allemaal “omzet” draaien tot “ontzet” van velen. Sloten drank kunnen tegenwoordig, bedacht hij, zelfs bij de “voetbal” niet worden aangevoerd. Een kleine 500 liter bier op een middag? ’t Was weg voordat je het wist. En hij had het uit betrouwbare bron. Zuipen totdat ze er bijkans van neervielen, bij het darten in een kantine. Ja, dat had hij van zijn zwager goed begrepen. Geen wonder dat je dan de roos niet meer raakt, maar dat was aan het volk niet besteed. De barkeeper, ja die scoorde bovengemiddeld.

Lagers kwam binnen. In de hoek van het café stond een Poolsbiljart. “Doe mij maar het gewone recept, Van de Water, een olifantje op één poot”. Lagers nam zijn vaste plekje in.

Rustig en bedaard schonk de kastelein het gevraagde in. Een klein glas, met één poot, tot de rand gevuld. Zonder morsen werd het op de stamtafel neergezet. 

Tegen twaalf uur, als het twaalfuurtje net achter de kiezen en de pruim was weggewerkt, werd door Van de Water  gezegd: “niet te schielijk mannen, effe een kwartiertje rust”.

Ja, hij zuchtte eens. Waren er nog maar zulke caféhouders. Dan waren er vast ook niet zoveel problemen met de jeugd van tegenwoordig. Ach heden, hij kreeg het er bijna te kwaad van. Die whisky begon werkelijk ook al op zijn gemoed te werken. Het was ook een dubbele, verdikkie, dat had hij zich niet gerealiseerd. Te diep had hij niet in het glas gekeken, alleen maar van boven bij het inschenken. ’t Mocht wat. Na maanden van geheel onthouden, zomaar voor de kerst een beste fles aangeschaft. ’t Mocht wat kosten. Bij Galle en de maagklachtenfabrikant kreeg hij een beste korting. Zou hij nu al, na een paar slokjes, te diep in dat glas hebben gekeken?

Na het zogenoemde “stiefkwartiertje” zei de kastelein: “Het kan wel weer mannen”.  Ook Lagers keek op boven zijn lege glaasje: “ Ach, van de Water, doe er dan nog maar eentje. Op  één been kunnen we toch niet lopen”.  En zo werden de glaasjes gevuld, de mannen keuvelden over de prijs van een stuk hout, de koetjes en de kalfjes. 

Na dat kwartiertje mompelde Lagers: “Mensen, goeie dag verder. Ik ga maar weer eens”.

Zo schuifelde Lagers weer richting zijn werkplaats. Hij zag hem gaan. Vast ter been, niks zwabberigs aan.  Met de snelheid van het leven. 

Diep starend in de vlammen van zijn kachel,  bekroop hem het gevoel dat ook hij zich moest houden aan de wijze woorden van een beslist niet lastige cafébaas.

“Niet te schielijk, man”.

Ja, die houder van het glaswerk was een hele beste.

En die wijze woorden moest hij vandaag maar eens gaan toepassen.

Niet meer kijken in het glas als hij inschonk. Maar kijken hoeveel hij inschonk. Want voordat je het weet ben je bijna beschonken. Niet te schielijk. 

Niet met drinken, niet met schenken. De wereld gaat er vast op vooruit.

Dat wel.

De vlammen doofden.

../../../Library/Containers/com.apple.mail/Data/Library/Mail%20Downloads/FCA19542-973E-4C13-9E85-08B1487AA76B/IMG_20191224_095320.jpg
dav

De whisky gloeit na. 

Dankbaar sluit hij het hoofdstuk.

Met een echte Schot.

Het kleine groene boekje

Eindelijk is het zover. Zo ver weg zijn we niet meer om eens te gaan kamperen. En we gaan ook niet ver weg. Niet naar Verweggistan, gewoon lekker dicht bij huis in de mooie Veluwse bossen.

Bijna sta ik te trappelen van ongeduld. Maar geduld is een schone zaak en ik heb mijn slaapzak nog niet schoon. Die ligt nog te drogen op de stoelen in de zon. Dat wel. Maar straks gaat alles in mijn rugzak om op mijn rug te stouwen. Wat een ondraaglijke gedachte, nog even te moeten wachten. En uitgejouwd of gedag gezegd, stiefel ik mijn dromen na. ’t Zal wat wezen. Eindelijk je droom weer te kunnen volgen. De neus achterna, de straat door, het bos in, de paden op. Een kleine groene camping uit het “Groene Boekje” zal mij leiden.

dav

Eerst lijden door het gesjouw, maar dan komt het grote verwonderen. Genieten van de natuur. Elk uur, elk ogenblik even met volle teugen de zuivere boslucht naar binnen halen. Mij werd gewezen op een mooi terreintje van SBB in de Noord Veluwe. Wapenveld? Nee, dat is niet meer. Omgekomen door de keiharde wetten van commercie. En die commercie speelt ons danig parten. De kleine -zeg van ouds her- kampeerpaspoortterreinen, wie kent ze nog? Ze zijn omgetoverd tot wellustige camperplaatsen. Sleurhutten? Ja ook daar ontkom je niet meer aan. En nu bij mij de tand des tijds ook zijn verwoestende werking heeft uitgewerkt, ik ben inmiddels ook uitgewerkt, en er dus meer tijd is om mij lekker te kunnen verpozen aan het oneindige niet werkende bestaan, ben ik genoodzaakt tot het onderkomen en ondergaan van “een sleurhut” . Nou ja, bescheiden. Past denk ik wel bij mijn stijl van het leven.

Nu, deze knipoog naar mijn kampeerbestaan wens ik te doorbreken met een tentje op mijn rug. Alleen. Voor even. Even ouderwets gezellig stiefelen met mijn handel en wandel door ’s Heeren dreven. Geplaveid met een mogelijkheid ongeplaveide paden te betreden. Een mens kan nog mens zijn. Maar alzo niet meer op de SBB terreintjes. Omgeploegd als ze worden door steeds indrukwekkender vehikels die met name betiteld worden met het woord “camper”. Alleen blijkt, dat er nogal eens ruim gedacht wordt aan de vorm van bivakkeren. Immers, als de cola op is moet er toch echt met de camper een slokje drinken worden gehaald. Achterstallig onderhoud en achterlaten van de “camperplaats” is dan zo’n dingetje waardoor we goedkoop uitziende stoeltjes laten staan. Zie zo. Plekje bezet. Liefst voor zo min mogelijk, campings zijn duurzaam, dus al het water in de tank voor een nachtje lekker goedkoop aanvullen, de giertank van dagen,  zoveel mogelijk legen en op naar de volgende “Kampeerplek”. Een mens wil zich ontwikkelen.

Ik zie het met lede ogen aan. Verdriet vervult mijn kijkers zodanig dat mijn blik wellicht wat vertroebeld is, zoals ik nu kijk naar vervlogen dromen. Ik ga, denk ik, maar wild kamperen. Wellicht dat een wachter van het grote groene bos voor mijn verdriet wel oog heeft. En een oogje toeknijpt. Of mijn ongehoord gedrag door de vingers ziet. De bonnetjes? Daar wacht ik toch ook niet echt op. Bij het betreden van de kampeerplaats uit het groene boekje geldt: betalen of wegwezen. Dat zou ook moeten gelden voor het overtreden van de regeltjes voor het rijden over de camping voor een boodschap. Kom maar eens om zo’n boodschap. Het groene boekje? Waar is dat vleugje nostalgie? Geef mij maar weer de regeltjes van een kampeerpaspoortterrein. 

Eindelijk is het zover. Zo ver weg van wat geweest is. Of wentel ik mij in de nostalgie van de jaren 60?

Ik hang mijn rugzak om. Voort pelgrim. Voort.

Zin van het leven

Stevig stiefelde hij door de ruige wind. “Gek, eigenlijk, altijd geïmpressioneerd door ruig weer”, mompelde hij in zichzelf. “’t Mocht wat, het leven is al ruig genoeg”. Voor zijn geestesoog verschenen de doembeelden van iedere dag. Boze boeren, Kick out Zwarte Piet”. Even moest hij zachtjes lachen. Ha, ja, zwarte Piet. Gelukkig maar, geen witte. Want dan zou hij zich nog bij die actiegroep moeten aansluiten. Leraren, ontevreden met hun, inmiddels met 8,5% salarisverhoging, toegekende centen. Kom op, hij komt uit de generatie van meer dan 32 kinderen per schoolklas…Het moet blijkbaar nog meer om de ontevredenheid te stillen. Stikstof, Pfas en andere rotzooi, die de mensheid zelf in de grond stopt.Het valt blijkbaar niet te stoppen. Politieagenten, bijna niet te krijgen, staan onder zware druk. Ze houden het niet meer vol, er zijn er veel te weinig. De misdaad groeit. Gelukkig voor de zwartgeldeconomie, maar oh wee, ze klautert uit het zwarte dal naar de witte bovenwereld.

Verpleegkundigen, ze kunnen altijd aan de bak, alleen zijn er te weinig. De grijze golf krijgt de overhand. De zorgkosten vliegen de pan uit. Bouwvakkers en ander technisch personeel, niet te krijgen. Technisch geschoold personeel…enfin, te veel ellende om op te noemen.

dav

Zware stormen gieren over dit land. Hij schudde zijn hoofd. Ineens kreeg een klepje van de herinneringen en zetje naar “open”. Een bal. Een bal op de golven. Dat laatje van 60 jaar of nog wat ouder ging open. Ineens was daar het kleine jongetje van een jaar of 5. Met de strandbal naar de zee. Op vakantie. Op avontuur. Heerlijk, maar de bal..De bal dreef weg. Weg op de golven. Golven van lichte emotie drongen ineens tot hem door. De mist van het verleden kwam bijna in het zonlicht. Maar de vliegende storm rukte aan zijn hoed. Weg.

Weg was die bal. Oh, zijn zusje. Ze stond aan de rand van strand en water. Maar de woeste golven konden hun ijzingwekkende hongerlust niet stillen. Weg vloog de bal naar onbekende oorden. Nee, zijn zus mocht niet het water in met die aflandige wind. Veel te gevaarlijk. Langzaam schudde de oude baas zijn hoofd. Wat een waanzin, je leven wagen voor een bal. Je leven..ja, wat is de zin daarvan? Niets is meer goed. Iedereen is ontevreden. Net als dat jochie die zijn bal in de golven zag verdwijnen. “Stil maar, joh”, je broer is net naar zee. Die komt hem wel halen. Als hij met de boot langs komt, dan neemt hij hem mee”.

’t Ja, bedacht hij, die bal moet nog komen. Net als een beloofde € 1000,00. Wordt ook niet gebracht. Ja, dat is het leven, bedacht hij. Niet de zin van het leven, maar dat is het leven. Soms valt het mee, vaak zit het tegen. “Maar,” mompelde hij met een grijns, “wel waardevol om voor te leven”. Nu is de bal weer rond. Zolang die maar blijft rollen, is er leven.

“Ik heb er nog steeds zin in”. Thuisgekomen van de wandeling door de storm, sloot hij het laatje van herinnering.

Pella en familie

Jeltje K. v.d. Hoek en S.W. Fokkema

Ja, het is eigenlijk wel bijzonder. Keihard met hard leven te worden geconfronteerd komt vaker voor. Maar om keihard met de neus op de feiten te worden gedrukt door je voorgeslacht? Er is in de familie een brief bewaard gebleven. Zij het, dat mijn brief het overgetypte exemplaar is van de enige echte, die wellicht nog ergens in de archieven van de familie is achtergebleven. Zelf heb ik ooit het origineel gezien. Mijn moeder heeft hem letterlijk overgetikt. 

Een brief, gedateerd 16 augustus 1869. Geschreven te Pella.

Zo’n brief die nog heel netjes begint met: Zeer geachte broeders, neven en nichten.

“Gij zult wel verlangend zijn hoe het met ons gaat”.

Nu, anno 2019 ben ik nog steeds hongerig om te weten “hoe dat er daar aan toe ging”. Wie zijn die “Jeltje en S.W. Fokkema?”

Om het cryptisch te omschrijven kom ik tot de volgende vaststelling:

Jeltje is de dochter van de broer van haar (mijn grootmoeder/beppe) grootvader. Anders: de nicht van de pake van de pake van onze Beppe.

Dat is dus Jeltje. En S.W. Fokkema?

Dat is gewoon een ander verhaal. Maar niet zo ingewikkeld als het lijkt. Jeltje is een dochter van een vader en een moeder. De vader van Jeltje is Kornelis Barteles van der Hoek, geboren 23 september 1814. Deze Kornelis was gehuwd met Sijtske Wijtses Fokkema, geboren te Burgum. S.W. Fokkema is niet meer en niet minder de moeder van Jeltje.

Pella.

Wonderlijke plaats. Gesticht door een dominee. Ds. Scholte, afgescheiden, betweter en zakenman. Ds. Scholte die mede kennelijk na een bezoek aan Ulrum ook in Amsterdam de kerkelijke funderingen heeft opgeschut. Die met een hele aanhang “gelukzoekers” is vertrokken naar het land als voorganger van Trump en consorten. Op zoek naar een volmaakte kerk, maar allengs de volmaakte voorganger werd die zich niet zo graag liet gezeggen. Die ooit blijkbaar een gooi deed naar een politiek ambt in de VS. Dominees en politiek? Huiveringwekkende aangelegenheid. Hoe dan ook, onder ds. Scholte is Pella geworden tot wat het geworden is. Voortvarend en nu nog steeds niet gespeend van Hollandse trekjes.

Ds. Scholte heeft zorg gedragen voor huizen en wegen. En in die omgeving, al rept de brief er verder weinig van, was Jeltje met haar moeder. De armoede ontvlucht uit het Hoge Noorden van Friesland.

Eigenlijk, als je de brief goed leest, “spekkopers”. Ter ondersteuning een citaat:

“Wij hebben geen puinwegen als bij u, maar vooruit. Wij kunnen eten en drinken wat wij willen. De boter kost elf cent het pond. Wij eten maar net zoveel als we willen spek en vlees zoveel als we willen..Ik eet en drink wat ik wil, och de arme mensen bij u, konden zij maar in dat (v)fijnne land komen…”Het is teveel om alles te citeren. Maar handel zat er ook al flink in. “10 vette ossen verkocht zowat voor 80 dollars nadat ze waren gekocht voor 20/30 dollars..” Mooi is ook een opmerking: “armen zijn hier niet”.

They make America great, before!

En onder de mededeling dat zij elke zondag in Pella ter kerke gaan, werd de brief afgesloten met “Koffiebonen branden wij zelf. Zijt van ons gegroet”.

’t Wordt tijd voor een bakkie troost.

Page 2 of 80

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén