Pieter Hoeksma

De beslommeringen van een ligfietsende levensgenieter

Ontmoetingen van een fietskampeerder

Ontmoetingen.

Zeldzaam rustig is de dag waarop ik met mijn fiets de wereld in trek. De zevende mei 2008 zal door veel medelanders worden wellicht nog worden benut voor drank en feesten. Maar ik ging bevrijdingsdag op de fiets vieren. Even lekker weg.

De bevrijdingsdag die zoveel mensen op de been had geholpen was al voorbij. Sommigen zijn nog aan het werk, velen kennelijk nog niet. Ik ook niet. Ik kijk vooruit. Gebogen over mijn stuur tuur ik naar de verre verten. Daar immers is inmiddels het pontje van Ameide? Daar moet ik zijn. Natuurlijk vaart de boot met zijn vaartje door de Lek net naar de overkant. Kant noch wal kan ik aan de dienstregeling knopen. Ik heb ook geen meertouw dus moet ik rustig afwachten tot de schipper de steven wendt de boeg langzaam mijn kant laat opkomen. Ik kijk. Om mij heen. Hier en daar een redelijk ontkleed type mens. De bollen bollen bijna uit de schamele strengetjes katoen of wat daar voor door moet gaan. Ik wend mijn blik af. Ga je alleen op pad dan is het zaak de zaken goed in het oog te houden en soms de ogen goed de andere kant op te houden. Ik daal inmiddels af langs de aanlegsteiger en richt mijn blik op wat komen gaat. Staat er ineens een string voor me met uitblikkende billboards die mij, gekleed en wel bijna geweldadige neigingen doet ondergaan. Stel je voor! Neen. Nog net geen billentikker, maar gewoon aan boord. Ik betaal de prijs der overgezette bezette fietser. € 0,95 was ik kwijt en gul als ik ben maak ik er een hele euro van. Zo gaat dat. Maar daar krijg je dan ook wat voor. Een weldadig rustig tochtje over de Lek naar Ameide. Het uitzicht is adembenemend. Nu heb ik het niet meer over de vrouwelijk schoonheid in de natuur maar over de natuur zelf, natuurlijk. Een mens moet zijn ogen de kost geven en voort klief ik over de dijk. Op naar Dordrecht. Net voorbij Waal dender ik af richting Ottoland en wat daar allemaal verder is neergekieperd in de Alblasserwaard. Het windje toetert lekker in mijn rug, bemerk dat ook ik wel enige kledingstukken kan proppen onder de binders op mijn fietstassen. Een banaantje, een lekkere sultana, die mij het gevoel van een sultan geeft, maken het leven knap aangenaam. Drinken drinken en nog eens drinken. Het gevaar voor mij als diabeet is dat ik analfabeet word als ik niet snel en genoeg drink en eet. Regelmaat, rust en reinheid. Drie woorden die voor mij persoonlijk zijn uitgevonden. Ik grijns. De herinnering aan mij pa wordt duidelijk. Die wist er ook wat van. En het grappige is dat ik voor het eerst van mijn leven mij niet afzet tegen mijn pa, maar hem in dankbaarheid gedenk. Waar een fietstocht al niet goed voor is.
Ik sta stil bij een fantastisch fietspad door de weilanden.

De tureluur werd van mij bijna tureluurs. De zwaluw deed haar best mij te imponeren en ik geniet van de jonge grutto op een paal, het verse geurende en weidse gevoel van de weilanden. Vuilendam. Waar die zijn naam vandaan haalt? Ik weet het niet. Misschien zou ik hier eens historisch onderzoek naar moeten doen. Maar of dat historisch onderzoek dan ook zo historisch zou zijn? Ik waag het. Te betwijfelen.
Mijn kilometerstand begint eindelijk vormen aan te nemen van een man op weg naar volwassenheid.
Ik stap af. Rook een lekker stikkie, drink en ga voort. De pijnlijke onderdanen die ook mijn billen doen tintelen geven aan dat ik mij iets op de hals en op de kont gehaald heb waar ik nog niet direct en dadelijk over had nagedacht. Maar dat heeft alles te maken met geweldadige vormen van fietsgeweld, laten voelen dat meer dan dertig kilometer met een zwaar bepakte fiets niet door mij ieder dag werd beoefend. Verroest. Vroeger kon ik dat toch beter. Dan waren dagafstanden van 180 kilometer met bepakking zelfs mogelijk. De tachtig halen, en dan niet de leeftijd maar de afstand, doet mij in gedachten watertanden. In mijn geest sluipt echter de angst.
“Hoi, gij zijt een echte!”. Kijk, da’s nu een echte opsteker. Zeker als de opkomende vermoeidheid mijn geestelijke sloopactiviteiten net wenst te bevorderen. Ik ga er maar eens bij zitten. Een lekker beetje drinken en mijmeren over de weg die ik ben begonnen. Op naar Dordrecht.
“Maar, waarde heer” , zei iemand tegen mij: “hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt”.
Een jonkvrouw van een jaar of 25 stapt af terwijl ik net mijn kaart bestudeer. Vlak bij Wijngaarden. Maar geen wijngaard in de buurt om eens lekker “los” te gaan. Trouwens, met drank op en dan achter het stuur, zelfs van de fiets met deze hitte is geen aanrader. Of ik het wel kon vinden. “U kunt wel met mij meefietsen, ik ga toch die kant op”. Ho, ho, wat krijgen we nu? ’t Ziet er wel zeker degelijk uit, lange rok, en een dikke tas op de fiets. Ja, ze komt van een of andere school en ze moet ook via Wijngaarden. Daar zal ze me verder verwijzen. Kijk, zo fiets je alleen en zo fiets je niet meer alleen over deze aardbal.
Na een gezellige kout laat ze me in de waan dat ik toch eigenlijk ook wel een flinke ondernemende man ben “op uw leeftijd”. Bang. Dank je. Zo ruig gaat het er tegenwoordig bij onze lieve jeugd aan toe. Toe maar. De kramp in mijn kuiten is natuurlijk een natuurlijk gevolg van mijn natuurlijk groeiend zelfbewustzijn van de flinkheid die mij wordt toegedicht. Dat is het. Geen kramp maar een “opsteker”. Zo. En als je er zo tegen aankijkt, ach dan kun je de laatste hobbels ook wel nemen. En het waren hobbels. Ik moest van de fiets! Ik kon er letterlijk niet tegenop. De berg die ir. Lely in zijn stoute dromen had gedroomd werd juist op mijn pad neergelegd. Een dijk om “u” tegen te zeggen. En toen ook nog eens over het spoor en de Merwede. Enfin, ik geraakte, geradbraakt en wel op een kleine kilometer afstand denk ik van de plaats van mijn toekomstige bestemming wel waar ik wezen wilde. De plaatselijke routebeschrijvers hadden hun werk naar behoren gedaan. Ontdaan dat ik nu al de 50 kilometer had afgelegd deed mij grijpen naar de telefoon. De overkant werd gebeld en een zeer welwillende schipper zei dat hij mij met alle liefde wilde overvaren. De fiets werd er ontdaan van. Dat moest.
De tassen moesten eraf. De fiets? Mocht niet mee. In een grote loods moest ik mijn grote liefde achterlaten. De stumper. Ik had met mijn fiets wel te doen. Bijna ondoenlijk na zoveel dienstbare draagbaarheid.; De fiets mocht niet mee naar de overkant. En bleef in een bloedhete gruwelijke eenzaamheid achter. Als de banden door de hitte maar niet zouden ploffen.
Al puffend en zwetend ontmoette ik de huismeester, de huismeesteres, kreeg een plekkie om te kiezen en stond er buiten. Buitengewoon.
Nadien heb ik mijn bierblikken losgerukt. Geweldig. De Kleine Rug in Dordrecht is bijna, bijna een aanrader.
Maar het bijna moet ik natuurlijk nog verklaren.
Nu is de geest uit de fles. Ik kieper er een paar mooie foto’s tegenaan. De kleine kleine rustpauze in mijn leven kon ik genoeglijk beleven op de Kleine Rug van de Nivon. Het uitzicht vanuit mijn tentje op ploeterende roeiers.
Verder op het schiereiland sta ik bijna met mijn “ poten” in de blubber. Maar ja, da’s nu de Biesbosch.

Zittend langs de waterrand, ja, dan kom je nog eens wat tegen. Mooi met veel bootjes, die ook willen genieten van de schoonheid van de door eb en vloed beheerste Dordtse Biesbosch. Dit is mijn plekje onder de Zon.

Het is echter jammer dat de lieve jeugd bij de afhaalplek een geweldige vorm van herrie weet te produceren die op dit mooie terrein, waar geen honden mogen komen, volledig te horen viel. De uitlaatplaats van de honden aan de overkant bood ook ’s morgens redelijke veel geluidsoverlast. De honden werden uitgelaten en waren uitgelaten. Je kunt ook zeggen de uitgelaten honden werden uitgelaten en ze werden daardoor uitgelaten. Laat ik er verder over zwijgen. Dat doorbreekt de herrie. Ik ben dan ook toch de volgende dag gewoon verder getrokken. De fiets en de fietser werden weer overgezet, de tassen erop geknoopt en voort. De blik op “waar de wind mij heen stuurt” de trappers onder de voeten, de handen in de extra beschermende handschoentjes, de benen in het vet en voort ging het. Mijn weg was naar een prachtige camping uit het groene boekje. Camping de Kreek was mijn doel.

Maar hoe dichter bij Dordt?

Ja, inderdaad, het lijkt wel of je dat gat nooit uitkomt. Dat viel tegen. Maar wel geweldige mooie paden om langs te fietsen. Enfin, op naar de Moerdijkbrug. Razende roelands in hun blik. Bliksemse herrie, die gelukkig na het verlaten van de brug al snel ophield. Een tandemstel, als je dat zo zegt tenminste, de brug over gestuurd. Hij Hollander, zij Amerikaanse. Jong en ondernemend. Mooi werk en wilden de LF route afrossen. Zij liever dan ik. Zij moesten letterlijk tegen de wind in en ik mooi niet. Dan op naar Klundert. Nou, je kunt mijn …zadel kussen. Weg van de snelweg werd wel even heel erg letterlijk genomen. De weg was opgebroken zelfs voor fietsers. Jammer dat ik geen foto heb genomen maar een echt super (l)knullig bord. “Let op, fietsers afstappen en stapvoets rijden”.

Tja daar moet je bijna ambtenaar voor zijn om zoiets te bedenken. Grapdozen. Enfin in Klundert deed ik het ook al niet goed. De frustratie nam hand over fietswiel toe. Weer verkeerd gereden zodat ik toch zeker wel een ommetje van 10 hele kilometers heb moeten maken. Ergens onderweg, nadat ik via een talud de kortste route maar had gepakt, kieperde mijn stuurtas er bijna af. In ieder geval open. Groene boekje vloog over de weg en vermoedelijk ook een fietskaart. Want terwijl ik weer mijn kilometers bij elkaar sprokkelde kwam ik er ineens achter dat ik de kaart met Tholen en de nabije omgeving maar via de tom tom moest zien te klaren. Wel alle kikkers en salamanders nog aan toe. Die heb ik niet. Geen kaart, geen tom tom dus daar zat deze Pieterbaas van ellende op zijn zweetsokken te bijten. Plotseling schoot door mijn geest dat ik toch ook wel geestig en slim kon zijn. Een routekaart via de steeds meer in zwang komende fietsknooppuntenrouteoverzichten deed wonderen. De handen werden volgekalkt met 39. 65, 33, 35, 38 etc.. En het werkt mieters!

Ruim 78 kilometers, maar toen kon ik mijn zakie dan toch mooi deponeren in / op natuurterrein De Kreek in Nieuw-Vossemeer.

Onecht kind

Ik ben. Dus ik besta. Ik ben geen Ben. Anders had ik moeten schrijven: ik ben Ben of ik, Ben, ben Ben. Maar dat schreef ik niet dus ben ik Ben niet. Ik moest er aan denken toen ik las dat “hij een “onecht kind was”. Ik dacht bij mijzelf na. Als ik nu een onecht kind zou zijn, dan kon ik toch ook niet zeggen “ik ben”, hooguit zou ik kunnen zeggen, ik ben “niet echt”. Maar ben ik er dan of ben ik er niet? Da’s wel een hele kwestie aan het worden. Ik ga er nu even van uit dat ik een onecht kind ben. Dat ben ik voor alle duidelijkheid niet, want anders zou u kunnen denken dat er met mij iets mis is. Neen, er is een heleboel mis met mij, maar zo mis, dat zou misplaatst zijn. En daar plaats ik dit dus ook niet voor.

Goed. Ik ben dus even, al was het maar voor dit moment ” een onecht” kind. Dat betekent nogal wat. En terecht merkte de schrijver, een door mij toch redelijk gewaardeerd medemens, ir. J. van der Graaf, mijn vader zaliger, heeft hem goed gekend en ik heb hem in het verleden ook wel eens ontmoet, op over professor Gerardus Johannes Petrus Jesophus Bolland dat “verondersteld werd dat hij “een onecht kind” was (Wat een uitdrukking!). Ir. Jan meent dus dat een onecht kind een uitdrukking is. Neen, dat meent Jan niet, dat schrijft hij. Maar Jan bedoelt te zeggen dat Prof. Bolland gewoon als kind is geboren en ook een echt kind was. Vermoedelijk er niet uitgedrukt, maar onder barensweeën “geperst”. Het zou dan wel erg gek zijn om te zeggen dat het onechte kind een geperst kind zou zijn. Beter was het om te spreken van een “gebaard” kind. Dit betekent niet dat het kind toen al een baard had, want veronderstel dat u dat zou veronderstellen dan veronderstelt u met rijke fantasie. Een kind dat met een baard wordt geboren zal vermoedelijk nog geboren moeten worden. Hoe dan ook, Jan heeft gelijk. Het blijft een rare vorm van jezelf uit te drukken over een kind dat ter wereld kwam en dan meteen te zeggen en het liefst natuurlijk later, en vooral niet te hardop dat, hoewel het kind van vlees en bloed is, toch onecht is. Je kunt nu zeggen waar ik mij druk over maak. Nou ik maak mij nergens druk om. Dus kun je dat niet zeggen. Maar waar ik mij wel mee bezig houd is, en dat houd me soms werkelijk bezig, met de uitdrukkingen die ik in mijn werk ook wel tegen kom. Ik kom in mijn werk ook wel eens onechte kinderen tegen. Niet werkelijk natuurlijk, dat zou onnatuurlijk zijn, maar in de praktijk van het archief kom je dit soort betitelde wezens wel tegen. Het gekke is juist dat dat toch op een of andere wijze beklijfd. Het intrigeerd met en het leuke daarvan is dat Jan er ook zo over denkt. Denk ik zo, omdat Jan schreef “wat een gekke uitdrukking”. Zo uitdrukkelijk is de context nu beschreven. Jan drukt het zo uit dat hij het een vreemde uitdrukking vind. Ik beschrijf dat ik de “uitdrukking” eigenlijk een vreemde uitdrukking vind en dat wij beiden, ondanks de verschillende benadering tot de conclusie komen dat een onecht kind on echt is. Het kind is echt, maar waarschijnlijk niet geëcht, al kan dat altijd nog gebeuren. In dit geval, handelend over professor Bolland meen ik dat niet gesproken kan worden over een geëcht kind, maar echt was ie. Echt waar, ik veronderstel dat de Leidse hoogleraar Otterspeer (volgens mij moeten zijn voorouders jagers zijn geweest, maar dat terzijde) die volgens “mijn” Jan een biografie heeft geschreven over Bolland, dit best had kunnen nagaan in de genealogische gegevens. En als je hoogleraar bent heb je ook wel tijd, zeker als je een biografie gaat schrijven over iemand als Bolland, om toch op zijn minst de kerkelijke doopboeken eens na te pluizen.

Terug naar het onechte. Als ik nu onecht ben, en daar gingen we nu even van uit, dan zou het niet echt zijn wat ik schrijf. Da’s voor ieder echt en onecht kind nog wel te begrijpen. Want als ik niet echt ben kan ik echt niet echt schrijven lezen, lopen wandelen, fietsen of wat dan ook. Toch kom ik in het echt regelmatig tegen dat in de echtelijke sponde een moeder in barensnood beviel van een onecht kind. Kijk dat is de wereld op zijn kop, behalve als het onechte kind een meisje is, want dan zou het zijn op “haar” kop. Kun je hier geen kop of staart aan vast knopen dan moet je jezelf eens voor de spiegel neerzetten en eens hard in je arm knijpen. Kijken of je echt voelt of je er echt wel bijhoort.

Hoe dan ook, degenen die mij volgen weten dat ik nog onlangs een lezing moest houden over het archief van de hervormde kerk van Sluipwijk. In die lezing heb ik ook gesproken over de zoektocht naar een onecht kind. Echt waar en niet gefantaseerd. Ik ben immers even onecht en kan dus ook niet fantaseren. Da’s nou met recht echt fantastisch.

Dus ben je onecht kind, dan heb je pech dan kun je niks. Dan besta je niet, dan kun je je wel voor “de kop slaan”, maar dat haalt niets uit want omdat je niks bent voel je ook niks, besta je eenvoudig niet. Nu sla ik mij voor “mijn kop” voel dat ik besta en concludeer: ik besta ben dus net zo echt als die broers en zussen van me. In het verhaal over de zoektocht naar een onecht kind zal ik ingaan op wat ik vertelde in de lezing over Sluipwijk. Echt waar.

Kijk, nu we toch echt bezig zijn kan ik er niet meer omheen. Volgens mijn naspeuringen zou onze “onechte” Bolland toch echt wel echt geweest zijn. Mijn zoektocht levert op dat hij de zoon is van Johannes Christiaan Philippus Bolland, in leven rijksveldwachter, en van de moeder Anna Madiol. De prof. is in Groningen ter wereld gekomen op 9 juni 1854 en overleden in Leiden op 11 februari 1922. “Mijn Jan” schrijft dat hij een vrijzinnige filosoof zou zijn. Vrij vertaald weet ik niet of filosoven nu zo vrij zinnig bezig zijn. Of ie echt zinnig is geweest? Vrij zinloos om hierover te filosoferen.

bron:kerkhistorie met een knipoog RD 21-2-2008

Zoektocht naar een echt onecht kind

“Wat onwennig kwam hij binnen. Schuchter zou ik het kunnen typeren. Hij wilde wel wat onderzoek doen. Na de nodige formele plichtplegingen, inschrijven bij mij als studiezaalbezoeker, ophangen van zijn jas, zelfs nadat hij zijn koffie in de hal had genuttigd (bij ons gratis) was hij aan een tafel aangeschoven. Op mijn vraag of ik hem kon helpen vertelde hij dat hij eigenlijk op zoek was naar iemand die niet zou bestaan maar waar het verhaal over ging dat ie wel zou bestaan. Fronsend over zoveel duidelijke onduidelijkheid had ik hem gewezen op onze verzameling van namen van geboren, getrouwde en overleden burgers in ons werkgebied. Hij ging aan de slag. Maar een echte (voor) naam had hij niet. Een echte geboortedatum ook niet. Enfin, om een lang verhaal kort te maken: hij zocht naar een “onecht kind” een zuster van zijn vader. Maar dit verhaal “zweefde binnen de familie” en niemand wist er het fijne van. Er was nog een broer van zijn moeder, die was 95 jaar. Mijn suggestie om de orale geschiedenis van de man direct vast te leggen en “uit te horen” deed hem met de moed der wanhoop bijna naar zijn hoofd grijpen. Neen, dat zou de man zijn dood worden. Toch liet het verhaal hem niet los en of ik verder kon helpen.
Enfin, het kwam er op neer dat vermoedelijk dit kind in Zegveld ter wereld was gekomen. Soms werden de aanstaande moedertjes “over de grens van de gemeenschap” gezet nadat ze de grenzen van het gemeenschappelijke op “onwaardige maar kennelijk wel aardige wijze” hadden overtreden.
Waren ze kerkelijk? Oh ja, zeker, hartstikke “fijn”. En omdat de familie in kwestie ook nog eens van de Hervormde kant was maakte dit het zoeken toch iets eenvoudiger. Ik heb hem aangeraden de notulen van de kerk van Zegveld maar eens door te snuffelen en de doopgegevens. Enfin, het duurde al met al een paar uurtjes en ineens kwam hij of hij een kopietje kon krijgen. Hij had het familiegeheim ontrafeld!
Kijk, dat kan binnen een archief gebeuren! En wat een spannende verhalen levert dat weer op aan de familietafel!

Met een lach knielen op je weg met tegenwind

We leven in een hectische tijd.

Barneveld verreformatorist. Staphorst op televisie. We knielen bijna voor een schrijver over viooltjes.
Het volk in de ban van de film. Eerst in de ban voor een film die er nog niet was, die zou komen, die binnenkort zou komen en toen een film die niet zou worden uitgezonden. Vervolgens aanbidden wij het gouden kalf van de Fitna die op internet werd losgelaten in deze maatschappij. We brullen hard en ongenuanceerd zodat het er op zou moeten lijken dat alle moslims extremisten zijn. Worden kwaad, als we er op wijzen dat niet alle islamieten over een kam mogen worden geschoren en maken elkaar publiekelijk uit voor leugenaar. Verwijten van de dames en heren politici zijn niet van de lucht. Janmaat zou terstond verbleken bij wat er tegenwoordig in de openbaarheid kan worden gezegd. We aanbidden het gelijkheidsbeginsel en het recht op vrije meningsuiting als het gouden kalf. En heb vooral het lef niet in je lijf om te zeggen dat je op onderdelen toch ook wel een andere mening zou kunnen zijn toegedaan. Want het recht op te kwetsen als fundamenteel onderdeel van het recht op vrije meningsuiting lijkt ook een gedachte die in bepaalde kringen kan worden aanbeden.

Het lijkt er haast op dat alleen de normen van het liberalisme de enige acceptabele vorm van denken is. Waag vooral niet iets anders te roepen. Het is inmiddels bijna cultuurgoed bevonden in bepaalde kringen. Ook dit dogma van het vrije denken wordt niet alleen aanbeden, maar ook beleden. Iedereen heeft rechten zelfs het recht op een eigen godsdienst, maar vooral achter je eigen huisdeur. En komt het soms uit dat je meent dat bepaalde zaken je niet zo goed uitkomen dan zou het verboden moeten worden dat je “zo achterlijk” denkt. En het komt mij voor dat je ook vooral niet zou moeten durven zeggen dat jij gedachten hebt die misschien best wel goed zouden zijn voor land en volk. Wat een pretenties.

In die tijd leven wij.

We aanbidden de goden van deze tijd. De voetballers. Waarvan er zelfs een “godenzoon” de eretitel van “De verlosser” krijgt. Hij kwam, zag, dacht te overwinnen, maar maakte dat ie wegkwam. Amen.

Geef het volk vooral brood en spelen. Maar geen spelen in het land van de onderdrukking die nog naijlt na Mao. Alleen, wacht even, als we er aan kunnen verdienen? Tja, natuurlijk dan moeten we even knielen voor die tegenwind. Je mag ook hier slechts dat zeggen wat “algemeen aanvaardbaar is” maar als je blieft niet op Tibetaanse gronden gaan staan pleiten.

De spelen? Doorgaan. Sport verbroedert. Geef (lees kniel op deze weg) het volk brood en spelen.

We maken ons op om al het gepeupel van achter het kalf van “Trots op Nederland” te laten opdraven. De peilingen laten zien dat dit een Gouden Kalf is. Misschien kunnen we er in de toekomst wel op gaan gokken. De libertijnen brullen om het hardst dat we toch vooral een vrije economie moeten ontwikkelen met koopzondagen. Hoe meer hoe beter. En denk erom, geen betutteling. We aanbidden nogal wat. Wat dacht u van de marktwerking? Velen zijn tot dit dogma van aanbidding veroordeeld. Het volk zucht.

De vrijheid van je denken wordt ruim baan gegeven. De werkelijkheid is, dat een vrome levenswijze volstrekt als achterlijk wordt getypeerd. En denk erom: al die vrouwen die vroeger alleen het recht van het aanrecht hadden moeten als “de gesmeerde boterhammen” van achter het aanrecht vandaan. Aan rechten geen gebrek. Werken, hupsakee. Terwijl het opvoeden thuis natuurlijk als een lastige bijkomstigheid wordt voorgehouden. En voordat ik het vergeet: ze hebben recht op leidinggevende functies. En ik zal de laatste zijn die het ontkent.

Overspel blijkt geen enkele tegenstander meer te kennen. Als je langs de bushokjes en andere hokjes gaat, sta je versteld van de vrouwelijke vormen die worden weggeperst in veels te kleine en oh zo spannende kledingstukjes. De billboards verheffen hun sierlijke vormen met de mooiste billen van Nederland. Ah, we zijn zo trots als een Pauw. Maar ja, dat is mijn “achterlijke denken”. Het zegt natuurlijk ook veel meer over mijn perverse gedachten dan over de bushokjes. Zo is het.
Alles moet kunnen en heb niet het lef om te zeggen dat niet alles kan. De vroegere leden van Paars lopen nu weer rood aan van verdriet als er iemand langs komt die vraagt of de doorgeslagen geesten ietsje minder hard van stapel willen lopen. Het normen en waarden gebeuren wordt gekenschetst als de Staphorster variant van het denken. Achterlijk gedoe natuurlijk. Zelfs bleek in recent verleden de onfortuinlijke suggestie geleefd te hebben met om met die verderfelijke SGP een nieuw kabinet te gaan vormen. Maar die achterlijke lieden die zelfs de vrouw geen stemrecht gunnen in de regering? We knielen nooit voor Staphorst…. Eigenlijk ben ik er nog niet uit hoe deze variant van CU, PvdA en CDA nu wordt genoemd. Een soort vrijmetselarij van het ongerijmde of PKN variant? Toe maar, misschien kan zelfs dit kabinet nog iets herstellen. Dan knielen we misschien voor de weg van het hersteld verband van Nederland. Die weg geeft echter ook nog steeds tegenwind. Want we hebben nog steeds soldaten in het buitenland geplant die mede door toedoen van “de leugenshow van Bush cs.” in een vuile oorlog zijn be(ge)trokken. Maar of dat nu zo verstandig was?

We leven inderdaad in een holistische tijd.

We leven. Maar in een hectische tijd. Rijken verrijken zich aan het aardse slijk en je moet van goede huize komen om dit aan te pakken. Als een fabriek te weinig winst haalt, ruk je de stekker er net zo makkelijk uit als bij de mens die wel uitmaakt wanneer hij of zij bepaalt dat die stekker eruit mag worden getrokken. Rechten van het ongeboren leven bestaan slechts op papier en we weten dat papier heeel,heel, geduldig kan zijn.

Ondertussen valt mij op dat er weinig valt te lachen. Groet je je medemens ’s morgens op je werk of op de fiets? Ze kijken je aan of je uit Staphorst komt. Wat een vreemdeling op deze aardkloot. Ik zie en soms hoor, je ze het denken. Terwijl al heel lang geleden iemand eens schreef: “Weest vriendelijk…|”. Het kost je inderdaad soms bijna moeite.

Zou soms ook die levensovertuiging nog alleen maar achter je eigen voordeur mogen worden beleden? Al dat geschreeuw, getier en brulwerk van mensen in de media, is dat niet een uiting van angst? De tegenwind overwinnen door “schreeuwen, van je af slaan, voor jezelf opkomen? ”

Als ik de context van deze samenleving bekijk, zou je toch op de knieën moeten? Ik heb ooit gelezen van iemand die ons vaderland kennelijk lief had van een in het Frans uitgesproken gebed, uitkomend op (vertaald): heb medelijden met mij en met mijn arme volk. Misschien zou dat wel veel meer moeten gebeuren.

Want waarom zoveel onvrede, zoveel haatzaaierij, zoveel “Ik heb recht op” ? Hebben onze kinderen en kleinkinderen dan alleen maar recht op “opkomen voor jouw rechten” of ook recht op ons gebed? Is dat misschien niet juist het allerbelangrijkste? Of knielen we alleen ongenuanceerd voor assertiviteit en eigen rechten? Ik vraag maar…
Is er dan niks mis? Moeten we alles bekijken door het oog van de maker van Staphorst in tegenlicht? Licht verdrijft nog steeds het duister en het duister heeft nog steeds een hekel aan het licht. Misschien moeten we toch iets meer van “Het Licht” getuigen? Heeft Hij daar niet recht op? En zijn die rechten eigenlijk niet boven onze rechten verheven?

IK weet het. We leven kennelijk in een hectische wereld. Een wereld die zich vooral met heel veel zaken bezig houd waarmee ze zichzelf bezig houd. We hebben op minimaal drie zenders wel drie keer journaal of herhaling van het journaal. Per uur en vierentwintig uur per dag zowat. Dan laat ik nog een heleboel radiozenders weg. We bestoken elkaar met de beelden van wreedheden, vunzigheden en inderdaad soms ook schoonheden. Nieuws is slechts bijna uitsluitend nieuws als het gaat over zaken met een “Negatief karakter”. We aanbidden het kalf van het negativisme. Of op zijn minst knielen we ervoor. We zitten verbaasd te kijken als kinderen steeds geweldadiger worden als ze geweldsspelletjes spelen die niet een hoog virtueel karakter hebben maar ook nog eens een heel hoog echtheid karakter hebben. We onderzoeken zelfs of het nu echt wel zo is dat dat een “slechte invloed heeft” en laten (ik hoorde het vandaag) uitgebreid een psycholoog uiteenzetten, dat het toch echt wel zo is. Terwijl ik vroeger al leerde: goed voorbeeld doet goed volgen. Ik verbaas mij. Maar onze minister wil toch ook het gokken op internet gewoon mogelijk maken. Ik verbaas mij. Ik verbaas mij over zoveel onbenul. Ik verbaas me temeer dat, geloof het of niet, de eerste kamer er kennelijk vandaag een stokje voor gestoken heeft. Neen. Nu verbaas ik me nergens meer om. Ik kniel van verbazing over de kennelijk nog steeds aanwezige “wijze” mensen in ons landsbestuur. Ik zou op de weg van tegenwind, die hiervoor in veel facetten en helaas lang niet uitputtend is getekend, bijna bezwijken. Maar ik mag even lachen. Vandaag, morgen, zondag.

Deze week bleek maar weer al te veel dat duistere machten ons landje in hun klauwen proberen te grijpen. Je zou moeten gokken of het in Nederland nog leuk zou zijn. Maar vandaag was ik toch een beetje trots op Nederland. Ik heb niet gebulderd van het lachen. Slechts een glimlach ontsnapte aan mijn, door overpeinzingen gevulde, hersenen.

Tenslotte. Als ik een tv-deskundige/communicatiedeskundige op de achtergrond hoor zeggen dat enen G.W. “als een Messias” zijn boodschap goed gebracht heeft (technisch goed) en daarbij overigens (gelukkig) aangaf dat hij er van huiverde, dan ben ik bang dat de geest uit de fles is.

Toch maar knielen op deze weg van tegenwind.

Pagina 70 van 96

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén