Daar zat hij. Ergens diep van binnen borrelde het. Niet de gewone borrel van de Friese Berenburger. Nee, goudgeel gerstenat stond voor zijn neus. Treffend, piekerend, denkend. Harms.

(met dank aan Teunis Ploeg Elspeet)
Ach heden, wat een nacht lag achter hem. Kamperend aan de Goddeloze Singel. Ja dat had hij gedacht. Maar hij was er een mooi stukje naast terecht gekomen.

Harms was te moe om nog wat anders te zoeken. Dan maar op de fiets. En nu? Diep verzonken achter een goed glas gerstenat. Zoiets.
Had hij gedroomd? Over de wonderlijke geesten van de Goddeloze Singel om hem heen? De grijze slierten van de dikke ochtendmist die in zonnegloren waren verdwenen?

Nee, Schele Japie, de kastelein van de Gulle Gaper had het nog eens goed bekeken. Die liet Harms maar voor wat hij was. Evenals een stille drinker. Maar diep vanbinnen, dat wist Schele Japie niet, borrelde het bij Harms. Och heden, wat een gruwelijke nacht. Och heden, wat was Harms gevallen in eigen ambitie. “Vrouw, ik ga. Ik ga weg. Ik ga naar de Houtwielen. Doei.”
En na een vluchtige zoen was Harms ’s middags alsnog bijna hals overkop vertrokken. Eindelijk mocht hij even weg. Even het tentdoek ruiken. Even de stilte proeven, al had hij tegenwoordig een plekje op de aardkloot gereserveerd waar je de spreekwoordelijke stilte kon horen.
De eerste maanden daar was hij iedere morgen naar buiten gegaan. In zijn arm geknepen. Nee, hoorde hij dan niks? Echt niks? Maar ook de ochtendstilte in zijn nieuwe woonplaats raakt gewend. Maar niet ontwend aan het innerlijke vluchtgedrag? Nee, daaraan kon ook Harms niet, misschien wel “nog” niet, aan ontkomen. En nu mocht hij eindelijk een paar dagen weg. Op naar de Goddeloze Singel.
Hij had het ontdekt. En daar was een camping bij de Houtwielen. En daar moest en zou Harms wezen.
Het gerstenat sputterde niet tegen. Wel werd de baard werd bijna besprenkeld door het opborrelde koolzuur uit zijn glas . ’t Leek volmaakt. Maar Harms was niet blij. Hij had zich wel voor de spreekwoordelijke kop kunnen slaan. Hij stond op de verkeerde camping. Dat was pas een paar dagen later gebleken toen hij naar de gelagkamer van de Gulle Gaper wilde.
De Zilverenmaan had zijn bestemming moeten zijn. Nou ja, Harms schudde zijn grijs wordende manen. Rukte eens aan de sik. Harms vermande zich. Hij was toch een vent. Wat? Hij, de oen van de Veluwe, die zijn matras ook nog eens vergeten bleek, had zich mooi door die nacht op de kale grond weten te redden. En stortbuien of niet, voor nog geen vier euro had hij een “bedje” geregeld dat nog comfortabeler was dan zijn dure expat mat. Schele Japie zag die lichte grijns van genoegen die zich af om de mond van Harms afspeelde.
“Aan de pieker Harms?” Als uit een verdoving keek Harms op. Zijn twinkelende ogen maar nog met dofheid van een slapende doffer, loerden schielijk naar Schele Japie. Wat zou hij?
“ Ach Japie, het leven van een kampeerder kent vele wonderlijke weggetjes. Gisteren was ik bij de Goddeloze Singel.

Jacob Bijlsma, de oud boswachter, daar bij de Houtwiel, was er samen met zijn vrouw. Gelukkig was de boze geest in de Houtwiel -voorlopig- weggezonken. En Jacob? Die kon prachtig vertellen man. Over de kruidendrank die hij als een echte Panoramix voor zijn vrouw aan het produceren was. Niks voor de verkoop Japie, niks voor mij, maar alleen voor zijn eigen famke. Ontroerend man. Zo vol liefde. Zo waardevol. En voor de rest? Ik zal het je wel eens vertellen, maar nu niet. Ik had er vannacht bijna een eind aan gemaakt. En of ik het droomde? Ik ben er inmiddels achter. Maar ook dat vertel ik nog eens. Geef nog maar een glas van het goede soort, mijn beste. En vertel maar niks aan die Wapse. Die wijsneus wil alles weten. Nog één ding Japie, heb jij ook van deze soort in je keukenkastje?

Machtig lekker. Drinkt als water. Maar misschien zag ik wel spoken. Ik was gisteren nog op de Goddeloze singel en wis en waar, ‘ t is er prachtig. Maar met zwaar weer, storm en getier van de wind gaat de geest, in ieder geval de mijne, wel op de loop. Het komt misschien door de inhoud van dat flesje wijn. Die kun je bemachtigen bij camping Houtwiel.
Komaan man, neem er ook één, dan voldoen we aan het gezegde: ze dronken een glas, deden een plas en lieten de rest maar mooi in hun sas. Of zo iets.”
Nunspeet, 7/10/26