De beslommeringen van een ligfietsende levensgenieter

Categorie: Harms Pagina 1 van 70

vijftig jaar getrouwd

Gepieker

Daar zat hij. Ergens diep van binnen borrelde het. Niet de gewone borrel van de Friese Berenburger. Nee, goudgeel gerstenat stond voor zijn neus. Treffend, piekerend, denkend. Harms.

(met dank aan Teunis Ploeg Elspeet)

Ach heden, wat een nacht lag achter hem. Kamperend aan de Goddeloze Singel. Ja dat had hij gedacht. Maar hij was er een mooi stukje naast terecht gekomen.

Harms was te moe om nog wat anders te zoeken. Dan maar op de fiets. En nu? Diep verzonken achter een goed glas gerstenat. Zoiets.

Had hij gedroomd? Over de wonderlijke geesten van de Goddeloze Singel om hem heen? De grijze slierten van de dikke ochtendmist die in zonnegloren waren verdwenen?

Nee, Schele Japie, de kastelein van de Gulle Gaper had het nog eens goed bekeken. Die liet Harms maar voor wat hij was. Evenals een stille drinker. Maar diep vanbinnen, dat wist Schele Japie niet, borrelde het bij Harms. Och heden, wat een gruwelijke nacht. Och heden, wat was Harms gevallen in eigen ambitie. “Vrouw, ik ga. Ik ga weg. Ik ga naar de Houtwielen. Doei.”

En na een vluchtige zoen was Harms ’s middags alsnog bijna hals overkop vertrokken. Eindelijk mocht hij even weg. Even het tentdoek ruiken. Even de stilte proeven, al had hij tegenwoordig een plekje op de aardkloot gereserveerd waar je de spreekwoordelijke stilte kon horen.


De eerste maanden daar was hij iedere morgen naar buiten gegaan. In zijn arm geknepen. Nee, hoorde hij dan niks? Echt niks? Maar ook de ochtendstilte in zijn nieuwe woonplaats raakt gewend. Maar niet ontwend aan het innerlijke vluchtgedrag? Nee, daaraan kon ook Harms niet, misschien wel “nog” niet, aan ontkomen. En nu mocht hij eindelijk een paar dagen weg. Op naar de Goddeloze Singel.

Hij had het ontdekt. En daar was een camping bij de Houtwielen. En daar moest en zou Harms wezen.


Het gerstenat sputterde niet tegen. Wel werd de baard werd bijna besprenkeld door het opborrelde koolzuur uit zijn glas . ’t Leek volmaakt. Maar Harms was niet blij. Hij had zich wel voor de spreekwoordelijke kop kunnen slaan. Hij stond op de verkeerde camping. Dat was pas een paar dagen later gebleken toen hij naar de gelagkamer van de Gulle Gaper wilde.

De Zilverenmaan had zijn bestemming moeten zijn. Nou ja, Harms schudde zijn grijs wordende manen. Rukte eens aan de sik. Harms vermande zich. Hij was toch een vent. Wat? Hij, de oen van de Veluwe, die zijn matras ook nog eens vergeten bleek, had zich mooi door die nacht op de kale grond weten te redden. En stortbuien of niet, voor nog geen vier euro had hij een “bedje” geregeld dat nog comfortabeler was dan zijn dure expat mat. Schele Japie zag die lichte grijns van genoegen die zich af om de mond van Harms afspeelde.


“Aan de pieker Harms?” Als uit een verdoving keek Harms op. Zijn twinkelende ogen maar nog met dofheid van een slapende doffer, loerden schielijk naar Schele Japie. Wat zou hij?


“ Ach Japie, het leven van een kampeerder kent vele wonderlijke weggetjes. Gisteren was ik bij de Goddeloze Singel.

Jacob Bijlsma, de oud boswachter, daar bij de Houtwiel, was er samen met zijn vrouw. Gelukkig was de boze geest in de Houtwiel -voorlopig- weggezonken. En Jacob? Die kon prachtig vertellen man. Over de kruidendrank die hij als een echte Panoramix voor zijn vrouw aan het produceren was. Niks voor de verkoop Japie, niks voor mij, maar alleen voor zijn eigen famke. Ontroerend man. Zo vol liefde. Zo waardevol. En voor de rest? Ik zal het je wel eens vertellen, maar nu niet. Ik had er vannacht bijna een eind aan gemaakt. En of ik het droomde? Ik ben er inmiddels achter. Maar ook dat vertel ik nog eens. Geef nog maar een glas van het goede soort, mijn beste. En vertel maar niks aan die Wapse. Die wijsneus wil alles weten. Nog één ding Japie, heb jij ook van deze soort in je keukenkastje?

Machtig lekker. Drinkt als water. Maar misschien zag ik wel spoken. Ik was gisteren nog op de Goddeloze singel en wis en waar, ‘ t is er prachtig. Maar met zwaar weer, storm en getier van de wind gaat de geest, in ieder geval de mijne, wel op de loop. Het komt misschien door de inhoud van dat flesje wijn. Die kun je bemachtigen bij camping Houtwiel.


Komaan man, neem er ook één, dan voldoen we aan het gezegde: ze dronken een glas, deden een plas en lieten de rest maar mooi in hun sas. Of zo iets.”


Nunspeet, 7/10/26

De merel en de wurm

Aan de boorden van de Goudsberg
tussen Lunteren en Ede
zat een merel luid te kwelen
met een wurm in haar bek.

Springend over het hekwerk
als een drachtige hinde
spoedde ik mij henen
op de weg naar Rhenen.

Het leven van een kampeerder
zei onze wijze beheerder
is nog niet zo gek.

Daarna kwam toen de rekening.
Als raskampeerder belde
ik van de weeromstuit mijn verzekering.

U, zo zei die beste man
bent echt een vrek.

Toen stond ik paf ,
zonder tanden in mijn bek.

Ach was ik maar een merel dan
dan hopte ik met volle snuit
nu met een (oor)wurm in
mijn eigen snuit.

Harms heeft een identiteitscrises


“Kijk Wapse, daar zit Harms. Hij zit de hele tijd verwondert te koekeloeren naar zijn telefoon. En soms grinnikt hij, dan weer slaat hij zich bijna voor zijn hoofd en dan heeft hij weer bijna tranen van het lachen. Het blijft een bijzonder type.”


Schele Japie kijkt er toch wel bedrukt bij.

“Weet je wat, ik zal hem maar eens een bak bruinebonensap brengen van het huis. Kikkert hij vast wel van op.”

Niet veel later stiefelt Schele Japie met een bak dampende koffie naar zijn vriend Harms. “Nou Japie, doe mij er ook maar eentje”. Wapse denkt, da’s mooi voordelig ook. De beide mannen stappen op Harms af.

Die zit nog helemaal verdiept in het beeld van zijn telefoon. De koffiegeur dringt amper tot hem door. Harms ruikt namelijk weinig tot niks, maar als dan ineens de damp in zijn neusgaten verdwijnt lijkt hij als uit een diepe slaap te ontwaken. Wapse en Schele Japie kijken verwondert toe. “Dank, Japie, prachtig Japie, heerlijk Japie”. De weinige woorden van Harms komen binnen.


“Wat heb jij toch? Man je lijkt van de wereld?”


“Ach mannen, ik heb google te pakken. Volgens mij zijn ze daar de weg kwijt. Maar denk eraan, ik ben blijkbaar wereldberoemd! Kijk maar eens. Mijn vrouw weet tegenwoordig in de digitale wereld erg goed te functioneren. Ik zelf ben daar een stumper in, maar soms? Weet je, als je het niet weet: vraag het vriend Google. En als je iets wil zien, dan maak je een foto en kiepert die in de zoekbalk. Kind kan de was doen. Harms kan de was doen. Maakt hij per ongeluk een selfie. Je wilt niet weten. Ik blijk een super intelligente knappe acteur te zijn. En geloof het of niet het staat er echt. Psst. opletten er staat wel bij in de kleine lettertjes dat AI fouten kunnen aangeven. Nou, ik denk dat Google echt het spoor bijster is, of ik heb altijd buiten de werkelijkheid geleefd. Kom Japie, om van de schrik te bekomen: doe maar een dubbele BB. En nemen jullie er dan ook maar een van mij. Want met een tobinkomen (let op met een B) moet ik als acteur dit kunnen dragen. Maar wie ik nu werkelijk ben?”


De beide vrienden keken elkaar eens diep in de ogen, al moest je bij Schele Japie natuurlijk flink de bocht om. Maar met een dubbele BB gaf het weinig moeite. Zo was dat wel. Verbaasd en verbouwereerd ontdekten ze dat hun Harms geen Harms was. De identiteitscrises die Harms blijkbaar had opgelopen was geheel verklaarbaar. Want kijk wat Google tevoorschijn toverde: een nachtvlinder. Geen acteur. Google was zich letterlijk te pletter geschrokken. Personen, nee dat ging niet meer. Al had hij dit nog wel met zijn vrouw gedeeld. Verbaasd was hij, verbouwereerd was zij. Want echt, de foto van Harms was een heel beroemd acteur. Maar ook was Harms verbaasd toen hij dit wilde delen. Supersnel had google de fout verwijderd. Harms zat er verbijsterd naar te kijken. Nee, zijn identiteit was meteen weer verloren gegaan.
“Kom mannen, ik weet niet meer wie ik ben. Japie, nog een dubbele, ik drink mijn verdriet nu wel weg. Zoals een oud-collega soms zelfs met regelmaat mompelde: “waardeloos”. Enfin, mannen, ik kom vast nog een keertje langs. De Goddeloze Singel, een plek om terug te keren. De Friese Wouden, ach wanneer zal ik daar mijn tent eens opslaan?”
“Nou Harms, kom dan maar snel eens met je linnen onderdakje. Jij bent altijd welkom”.
Niet veel later verdween Harms in de coulissen landschapsrijke Friese Wouden. Een traantje wegpinkend schuifelde hij voort.

Nunspeet, 20/08/26

Harms en vriend Ben, 2.

Bijna kieperde het mooie hoedje van Harms van zijn smaller wordend bolletje. Als je haar maar goed zit. Harms vond het geen gepaste slogan. Hij kreeg er een beetje heimwee van. Tijdens een van zijn korte fietsvakanties kwam hij een mooie tekst tegen.

“ Beter ’t haor ien de warre as de kop”.


Een Veluwenaar zou denken, “ik kan der met de kop niet meer bie.”


Wat heeft Harms? Is hij de weg kwijt? Die gedachten? Hij, Harms heeft helemaal geen haar meer op de kop, hooguit er wat onderaan bungelen. Vertwijfeld wilde Harms nu naar zijn haardos grijpen. Ach, had hij, die Wapse en Schele Japie zomaar ineens in de steek gelaten. Niks snapten ze van dat gebabbel over Ben. ‘t Zou de warmte geweest kunnen zijn, maar Harms nam een kloek besluit. Terug.


Niet veel later zagen Schele Japie en Wapse dat Harms letterlijk op zijn schreden was teruggekeerd.

“ Mannen” zo begon hij, “effe een bakke gewoon aqua maar geen destillata en vooruit, nemen jullie nu op mijn kosten, Japie, op MIJN kosten maar eens een flinke trappist. Gewoon omdat het lekker is en ik zelf ben jullie het verhaal over mijn vriend Ben verschuldigd.”
Japie was in de wolken. Kijk, als Harms gaat dokken, nou dan zal Schele Japie niet bokken.
De schuimkraag en de dieprode trappist stond zo mooi op de tafel. Alleen het zicht op de prachtige bokalen deed zelfs Harms watertanden. Maar hij besefte, dat wordt mijn dood.

“Mannen, in vroeger tijden ging ik aan de stiefel. Met broeder Ben. De ellendige tijd van ziekenhuisopname, enfin, daarover hoef ik niks te vertellen, maar daarvoor liep ik met grote regelmaat met Ben Berendsen. Wonderlijk mens. Zoals ieder mens een Godswonder is, daarvan ben ik overtuigd. Of jullie ook zo denken weet ik niet, maar Ben en ik zijn, zeg maar, toch wel een soort broeders.

Ben ging, maar beter kan ik zeggen moest, op familiebezoek. Juist met deze warme dagen voor de boeg was dat een echte uitdaging. En Ben zag het eigenlijk niet zo heel best zitten. Ga je naar de één dan kun je en mag je de ander natuurlijk niet overslaan en ja ook binnen de familiekring kunnen er lichte of minder lichte hebbelijkheden en onhebbelijkheden zijn.

In het leven heb je familie, noch broers en of zusters voor het kiezen. Dat is ons lot als stervelingen. Dat heb ik in de bijna driekwart eeuw van mijn leven al wel doorgekregen. Ooit zei ik, dat ik nooit gevraagd heb om op deze aardkloot rond te banjeren. Nu ik er toch en nog ben, moet ik, en zo vergaat het jullie ook, het maar doen met hen die jij nooit hebt uitgekozen maar wat ook heel fijn, mooi en wonderbaarlijk is, je kunt wellicht veel voor een ander betekenen door de kracht van Zijn liefde tot recht te laten komen binnen familiaire banden.

Je zou daar deel van kunnen uitmaken. Zelfs als ze door elkaar gaan kakelen. maar het is misschien ook mogelijk om van onderwerp te veranderen, en het werken aan “ liefde” bevorderen ten opzichte van hen die op je pad komen. Kijk, dat heb ik Ben ook gezegd.

Enfin, ’t is nu warm en van mijn broer kreeg ik op de camping drie weekjes geleden een mooi boek. Mijn onwankelbaar gemoed van geloof, hoop en liefde is daarmee bijna de grond ingeboord.

Hoewel ik kerkelijk leven en helaas ook kerkelijkhuisvuil best wel heb meegekregen, en meegemaakt in pak hem beet 4 jaar in de raad van een kerk te hebben gezeten, (achteraf geen pretje noch pretpark) kan ik niet anders concluderen dan dat daar ook veelvuldig door elkaar werd gekakeld, zelfs met stemverheffing en weinig verheffend. Sterker. Men sprak op vele manieren langs elkaar heen terwijl er wel een Tom Tom voorhanden was en er bijbels gezien helaas toch ook een stevige Babylonische spraakverwarring viel te constateren. Kortom: onze lieve Heer had en heeft vreemde kostgangers. Sommigen had ik geloof ik liever niet ontmoet, het beroerde is en was dat dit ook zgn “ broeders” waren (in mijn tijd geen zusters waar ik wel jaren om had gevraagd (gestreden?) en pas na mijn cq onze verhuizing mogelijk werd), maar of het in de huiskamer van de kerk daarna gezelliger en liefdevoller werd? Ik kan slechts gissen. Hoe dan ook, sla elkaar toch maar niet met bijbelteksten om de oren. Trek elkaar ook niet aan de oren. Was alleen in liefde elkaars voeten. Dat heb ik dus “mijn Ben “ fijntjes uitgelegd.

‎Nou heb je familie en familie en heb hem gezegd dat hij het echt met familie moet doen. Die heb je niet voor het kiezen en wat is er eigenlijk mooier dan alles waartoe je hier op aarde bent, binnen de familiekring te delen. Bovendien is een familiair bezoek bij alleen maar begrafenissen ook niet aanbevelenswaardig. Deze wijsneus, zo zei ik, meent dat het dus eigenlijk een voorrecht is om broers en zussen of zo te kunnen en te mogen bezoeken. Vooruit, Ben kon zich er wel redelijk in vinden.

Maar ja, eerlijk is eerlijk, familie heb je nooit uitgekozen, hooguit de broeders en zusters binnen een bepaalde gemeenschap. Of, zoals Ben fijntjes opmerkte, je hebt biologische broers en zussen als ook theologische broers en zussen.”


Proost mannen, laat die Trappist van het fijne klooster Westmalle nu niet langer verschralen!”


Nunspeet, 26 juni 2026

Pagina 1 van 70

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén